Week 2004 24
Voorop stapt de mannetjeseend met zijn groene kop en nek. Hij loopt door het hoge gras in onze voortuin. Waar is hij naar op zoek? Twee meter achter hem volgt het vrouwtje. Steeds vaker blijft ze staan alsof ze er niet van overtuigd is dat de expeditie van het mannetje op iets zinvols zal uitlopen. Uiteindelijk staat ze op het grintpad stil en verzet geen poot meer. Het mannetje zwerft nog naar verschillende kanten uit en komt steeds terug. Zoeken ze naar water? Zou ik op een of andere manier kunnen communiceren en uitleggen dat onze vijver aan de andere kant van het huis is?
Hoe komen die twee eenden bij elkaar? Wat ziet dat mannetje in die bruine eend? Waarom blijft het vrouwtje bij de eend die niet weet wat hij wil?
Deze week las ik een artikel over het risico van het man zijn. De belangrijkste factor die bepaalt of mensen op jonge leeftijd zullen overlijden is van welk geslacht ze zijn. Vergeet alle andere risicofactoren. Tegenover elke tien te vroeg overleden vrouwen staan zestien mannen die ontijdig heen gaan. De reden is dat mannen zich teveel uitsloven. Het zijn namelijk de vrouwen die kiezen, niet de mannen. Ze kunnen maar een paar keer in hun leven een kind baren. Het is dus belangrijk dat het zaad dat daarvoor nodig is van goede kwaliteit is. Bovendien moet de partner wel een paar jaar voor die kinderen kunnen zorgen. Dat maakt vrouwtjes kieskeurig en mannetjes moeten zich bewijzen. Het leidt tot meer riskant gedrag, meer ongelukken en ook meer zelfmoord bij falen. Ik begrijp nu dat het een wonder is dat ik ouder dan dertig geworden ben. Om indruk te maken op een vrouw als Marion heb ik wel heel gek moeten doen. Of kijken sommige vrouwen dwars door dat hormonale gedoe heen en keuren ze een potentiële partner op basis van carrièremogelijkheden en de auto die ze zich kunnen veroorloven?
Ik had een lelijke eend, die 's winters vaak niet startte. Dat vormt geen enkele garantie voor gezond zaad. Toen ik haar ontmoette vertelde ik Marion dat ik kritisch arts wilde worden, veel schrijven en de wereld rondreizen. Maakte dat meer indruk op haar genetische jury dan een vechtpartij met mannen die op een verkeerde manier naar mij of Marion hadden gekeken? Vallen hatelijke grappen en adrem gedrag onder de methoden om indruk te maken? En is dat ook riskant omdat je er een klap door kan oplopen?
De enige keer dat ik heb gevochten was toen ik met mijn vrienden op een zaterdagavond laat uit de kroeg kwam. We waren twintig. Drie jongens die op een vechtpartij uit waren, probeerden Bert uit te lokken. Bert was een lieverd en deed geen vlieg kwaad. Ik moest er niet aan denken dat ze Bert iets aandeden en probeerde de jongens op andere gedachten te brengen.
"We zijn alleen maar op weg naar huis," zei ik. "Ons moet je niet hebben."
Waarom was ik zo vreselijk dom? Dat was precies de provocatie waarop ze gewacht hadden. Omdat de eerste klap een daalder waard is, had ik er al drie te pakken voordat ik behoorlijk mijn zin had af kunnen maken. Maar toen was ik ook wel erg kwaad en wist ik dat ik mee moest doen. Ik werkte de jongen op de grond en begon hem terug te slaan. Helaas vonden zijn vrienden dat ze zich er nu mee moesten bemoeien en ze begonnen me te schoppen. De portier van de kroeg die we net verlaten hadden kwam me ontzetten. Bert had hem gehaald. Ineens begreep ik waarom het verstandig was geweest dat ik altijd goed fooi had gegeven. De volgende dag schrijnde mijn gezicht op de plaatsen waar ik trappen had gekregen, maar ik voelde me goed omdat ik terug had gevochten. Dat positieve gevoel was echter niet voldoende om me nog eens te verleiden tot zulke stoeipartijen.
Marion heeft me wel eens gevraagd waarom ik nooit voor haar heb gevochten.
"We hebben het toch altijd anders op weten te lossen," zei ik en ik denk werkelijk dat het verstandiger is geweest om ons genetische materiaal te redden zonder al te veel risico's te lopen. Dat ons genetisch materiaal daar zelf heel anders over dacht is natuurlijk onhandig. Hij ging op boksles, vond Thais kickboksen vooral leuk, oefende door met zijn hand hard op de muur te slaan zodat hij eeltvorming zou krijgen en een paar keer moest ik hem naar het ziekenhuis brengen omdat er bij een uit de hand gelopen ontmoeting op straat iets mis was gegaan. Soms misdroeg hij zich een beetje als hij vond dat een kennis van zijn vriendin te veel interesse in haar had. Kortom, hij was rond zijn twintigste een echte held en bij hem is het eveneens een wonder dat hij die moeilijke jaren zonder al te veel kleerscheuren heeft overleefd.
Ooit, misschien in 1981, moesten we op het vliegtuig in Ujang Pandang stappen. We waren met zijn drieën. Marion, Kaja en ik. Kaja was pas acht en had al die nuttige gevechtstraining nog niet gehad. Nadat we door de veiligheidscontrole waren, kwam Marion opgewonden op me af.
"Die smerige kerel," zei ze. "Weet je wat hij tijdens het fouilleren deed?"
Nee, dat wist ik niet, maar ik kon me zonder veel moeite van alles voorstellen en natuurlijk maakte het me boos.
"Ga naar hem toe," zei Marion.
Ik deed een halfslachtige poging, zag niet welke man ze bedoelde en keerde onverrichter zake terug. Wat had ik moeten doen? Hem in mooi Indonesisch toespreken? Of hem ondanks zijn uniform een flinke klap geven?
"Het is nu toch al gebeurd," zei ik. "Daar kunnen we niets meer aan veranderen. Straks zitten we in het vliegtuig en herinneren we het ons niet eens meer."
Dat had ik mis. We weten het allebei nog. Die keer had ik moeten bewijzen dat ik een vent was, dat ik het zelfs op durfde te nemen tegen Suharto en al zijn geüniformeerde Indonesiërs, die ons toch al groen en geel ergerden. Dat was het moment geweest waarop ik aan Marion had kunnen bewijzen dat ik een goede beschermer van haar en ons nageslacht was. Daar heb ik het echter laten liggen en nu, zonder de hormonen die voor al dat gedoe zo nodig zijn, krijg ik nooit meer een kans.
Het is zo begrijpelijk dat die vrouwtjeseend niet zo maar overal achter de woerd aanloopt. Weet hij wel wat hij doet en zal hij haar verdedigen als het noodzakelijk is?



Terug