| Week 2004 27 Voor drie van de berken in de tuin was het voorbij. Vorig jaar had ik al met lichte bezorgdheid naar één van hen gekeken. Zaten er minder bladeren aan dan aan de andere berken? Maar over de andere twee hoefde ik me geen zorgen te maken. Dit voorjaar bleven ze echter alledrie bladerloos. Zodra ik het merkte wilde ik dat ze omgehakt zouden worden. Marion was het er niet mee eens. Ze vond een bladerloze berk ook erg mooi. Ik wilde echter niet de hele dag als ik uit het raam keek met de dood geconfronteerd worden. De bomendokter werd gebeld. Zijn diagnose bevestigde onze vermoedens. De bomen waren dood en zouden nooit meer bladeren krijgen. De droge zomer van 2003 was ze teveel geworden. Hij adviseerde ze om te hakken omdat ze anders op een dag om zouden waaien en op het dak of de rododendrons terecht zouden komen. "Kan het niet volgend jaar?" vroeg Marion, die nog geen zin had in afscheid nemen. "Dat kan," zei de bomendokter. Hij leest goede literatuur, praat daar graag over en maakt verre reizen. Net als alle goede dokters is hij vooral psycholoog, begrijpt wat de mensen willen en past zich aan die wensen aan. Uiteindelijk kwamen we tot een compromis om het proces van afscheid nemen soepel te laten verlopen. De berken zouden ongeveer vier meter boven de grond worden afgezaagd. Dan waren ze er nog een beetje, maar ze konden niet meer op het dak vallen. Via de radio werd opgewonden gewaarschuwd voor een zomerstorm die in aantocht was. Vergezeld door twee boomverpleegkundigen verscheen de bomendokter een dag voor het zomerse noodweer verwacht werd. Alles ging precies op tijd in orde komen. Toen ik die dag van de universiteit terug kwam stonden er vreemde monumenten in de tuin, die op overdreven wijze aanwezig waren en ons sterk deden denken aan de bomen die er niet meer stonden. Het maakte ons verdrietig en bovendien was het erg lelijk. "Als je nu niet weet hoe mooi het er altijd uitzag,"zei Marion, "dan stoort het misschien niet zo erg. Stel je voor dat je hier voor het eerst komt." Ik deed mijn best, maar het beurde me niet op. Het houthok lag vol berkenhout, maar ook buiten tussen twee naaldbomen hadden de houthakkers een walletje gemaakt voor liefhebbers van de open haard. "Wordt dat niet nat door de sproeier?" vroeg ik aan Marion. We hadden geen flauw idee en daarom probeerden we de sproeier uit om uit te vinden of het de haardblokken een beetje droog zouden blijven. "Waar is de derde sproeier eigenlijk?" vroeg ik aan Marion. Tegelijkertijd begrepen we dat de drie hulpverleners van het groene bos de stapel hout boven op de sproeier hadden geplaatst. Er restte me niets anders dan zo snel mogelijk al dat hout te verplaatsen. In de kleding waarin ik even eerder nog college had gegeven begon ik aan het karwei. Aanvankelijk zag ik er tegenop en zei tegen niemand in het bijzonder "Hoe kun je nu zo stom zijn?" Terwijl ik bezig was verdween mijn tegenzin. Het mopperen veranderde in neuriën en later in gezang uit volle borst. Ik was nog steeds het mannetje in huis dat de klusjes in een handomdraai doet. Hormonen of niet, ik had nog energie genoeg. Hoe vaak had ik de laatste tijd niet getwijfeld, maar dat was niet nodig. Alles kon ik nog aan. Waarom hadden de drie mannen dit hout eigenlijk niet bij de andere blokken in het houthok gegooid? Het kon er nog gemakkelijk bij. Ik bleek onverwacht wat aan de tijd dat ik nog aan basketbal deed te hebben. Met de linkerhand hield ik het blok in de lucht en met de rechter schoof ik het in een denkbeeldige basket boven in het houthok. Met soepele polsbewegingen zorgde ik dat de blokken op de stapel belandden. Er kon nog veel meer bij. Het zweet stroomde langs mijn rug en vanuit haar werkkamer zag ik Marion tevreden naar me kijken. Bij het woord zomerstorm denk ik aan windrukken en warme regens, maar al snel begreep ik dat de naam helemaal verkeerd was gekozen. Het was gewoon een herfststorm, alleen raasde hij niet in de herfst. De trotse kronen van de bomen zwaaiden de volgende dag heen en weer in een majestueuze beweging. Ze wuifden en het leek of ze onaantastbaar waren. Dat was echter schijn, want toen de storm was uitgeraasd bleek dat één van de gezonde berken halverwege was gespleten. Als iemand die een beroerte gehad heeft stond de boom erbij, aan één kant nog vitaal, maar aan de andere kant volledig machteloos. De bomendokter belde die dag om te informeren of ik tevreden was. Ik kon niet nalaten te vertellen dat hij en zijn kompanen een houtwal bovenop de sproei-installatie hadden geplaatst en dat ik twee uur bezig was geweest die te verplaatsen. "Had me even gebeld," zei hij. "Dan had ik je geholpen." "Tijdens de storm is er tot overmaat van ramp ook nog een grote tak van een gezonde berk afgebroken," vertelde ik hem. "Dan kom ik naar je toe om die er even af te halen," zei hij. "Zaag dan ook maar die rare overblijfsels van die oude berken maar om," zei ik. De verwerking van het overlijden van onze berkvrienden was inmiddels wel voltooid. We konden de tweede fase - de volledige afwezigheid - nu ook aan. Gisteren wilde ik wat berkenhout uit het houthok halen om voor de open haard te gebruiken. Ik stond tegenover een gigantische berg houtblokken en realiseerde me dat Marion en ik nooit lang genoeg zullen leven om dat allemaal te verbranden. Trouwens, het hout halen is nu een riskante onderneming geworden. Door mijn manier van stapelen heeft het grijpen van brandhout al gauw een levensgevaarlijke lawine tot gevolg. Misschien is het de wraak van de berken aan wie ik vorig jaar geen water heb gegeven, terwijl ik wel mijn lievelingsplanten besproeide. Terug |