Week 2004 28
Op de urologische polikliniek wilde de broeder even apart met me spreken. De receptioniste moest er een beetje om lachen, maar het lijkt of hij zich speciaal over mij bekommert.
"Ben je wel op vakantie geweest?" vroeg hij.
"Ik ben wel eens een week weg," antwoordde ik. "Volgende week ga ik naar Bangkok voor het aids-congres."
"En dan gaan jullie daarna zeker een paar weken naar zo'n tropisch eiland," hield hij aan. "Lekker op het strand liggen en niets doen."
"Nou, nee. Daar moet ik niet aan denken," reageerde ik. "Lekker thuis. Ik heb een mooie tuin."
"Je zou juist eens een keer een week of drie weg moeten," zei de broeder. "Je hebt een zwaar jaar achter de rug. Daar moet je helemaal van bij komen. Ga anders een maand naar Italië of Frankrijk. Ik weet daar nog wel wat leuke adresjes."
Het was het beste om verder maar naar de goedbedoelende man te glimlachen en te knikken. Hij was het vast en zeker fundamenteel oneens met de manier waarop ik leef: altijd achter de computer, schrijvend, hoogstens af en toe een weekje ergens wandelen, maar steeds druk met zaken waarvan ik aan het einde van de dag me het belang niet meer herinner.
"Weet je," zei de broeder. "Je hoeft ook niet steeds elke drie maanden hier te komen. Dan ga je maar teveel op die bloeduitslagen letten. Ik zie hier mannen. Die zijn alleen nog maar met die PSA bezig. Ze maken er hele grafieken van en hangen die thuis aan de muur. Je moet geen PSA-slaaf worden. Blijf gewoon maar een half jaar weg. Dat is toch ook prima. Ga lekker reizen."
Het klonk alsof ik was opgegeven en mijn tijd verder beter kon gebruiken voor leuke dingen. De broeder realiseerde zich dat echter en toen hij een keer "als je kanker hebt" gezegd had, verbeterde hij zich met "als je kanker gehad hebt". Ik mocht die broeder wel, maar over reizen hoefde hij me niets uit te leggen.
Op de avond dat Marion en ik elkaar ontmoetten, vertelden we elkaar haastig, over de woorden struikelend, onze dromen en omdat die met elkaar overeen kwamen bleven we verder altijd bij elkaar. Schrijvend en reizend. We hebben onze dromen ook gerealiseerd, hoewel er soms veel moed nodig was alle stappen te zetten.
Op de drempel van Azië in 1972 ontbrak het ons bijvoorbeeld aan lef om de brug over de Bosporus over te steken. Ik moest er niet aan denken dat we met de oude Renault 4 bestelauto, die ons driehonderd gulden gekost had, pech zouden krijgen in een ander werelddeel. En Istanboel was al kleurrijk genoeg. Via Split, Dubrovnik, Skopje en Sofia waren we er uiteindelijk terecht gekomen. In elke stad zochten we naar gebakken sardientjes omdat Marion zwanger was, maar dat wisten we op dat moment niet. Bij de Aya Sofia hadden we de auto waarin we 's nachts sliepen geparkeerd. Passerende mannen bekeken ons nieuwsgierig als we 's morgens vroeg uit de bestelwagen kwamen. Ze hielpen ons met water halen, zodat we ons gezicht konden wassen en onze tanden poetsen. Azië moest nog wachten. Het kwam later aan de beurt.
Het zal wel niet voor niets geweest zijn dat ik over Turkije droomde toen ik een paar dagen voor de afspraak met de uroloog mijn bloed had laten prikken. In die droom waren Marion en ik met Kaja en zijn vriend Jeroen in een kleine auto op weg naar Klein Ankara, een voorstad van Rotterdam. Vanuit de verte zagen we langs de Maas al de tientallen minaretten van de Turkse gemeenschap. We logeerden even buiten Klein Ankara bij vrienden van Jeroen, maar Marion en ik konden niet meer wachten en gingen voor we die ontmoet hadden al op pad om Klein Ankara te bekijken. Kaja en Jeroen zeiden dingen als 'Zou je dat wel doen?' en "Kijk alsjeblieft wel goed uit". In Klein Ankara was alles even interessant. Aan één stuk door nam ik foto's en vroeg ik mensen voor me te poseren. Alles wilde ik vastleggen. Ik herkende mezelf in die man die heel de wereld gulzig wilde opslurpen en vastleggen. Ja, dat was ik ten voeten uit. Op een of andere manier werd Klein Ankara tijdens ons verblijf steeds exotischer en Marion en ik dachten er niet over terug te keren naar het flatje in Rotterdam waar Kaja en Jeroen op ons wachtten. Op een gegeven moment zag ik in Klein Ankara zelfs mannen met olifanten rond lopen. En wat liep daar? Dat was een olifant op twee benen, een soort kruising tussen olifant en mens. Het was zo vreemd, dat ik wakker werd. Al snel viel ik weer in slaap en droomde verder. We kwamen bij Kaja en Jeroen terug. Die waren erg ongerust geweest omdat we zo lang wegbleven. Het flatje waar de jongens onze tassen al hadden neergezet bleek echter net zo exotisch als Klein Ankara en de vrienden van Jeroen waren Turken die niet goed Nederlands spraken. Zie je wel, de hele wereld was een vreselijk interessante plaats om te zijn. Het leven was een geschenk omdat je de tijd krijgt op aarde rond te lopen, alles te bekijken, met mensen te lachen en te praten en er foto's van te nemen zodat het nooit meer kan verdwijnen.
Met een heel plezierig gevoel werd ik wakker en ik hoopte maar dat de uroloog weer goed nieuws voor me zou hebben op mijn driemaandelijkse controle. Naarmate de dag van de afspraak naderbij kwam werd ik daar nerveuzer over. Dat had ik nog nooit meegemaakt in de afgelopen anderhalf jaar. Op de avond voor de afspraak kon het me niet schelen hoe de voetbalwedstrijd tussen Nederland en Portugal afliep. Bij de vorige controle wist ik nog niet hoe de bestraling had uitgepakt. Alles wat de uroloog ging zeggen zou goed nieuws zijn vergeleken met de voorafgaande periode. Deze keer had ik alleen maar iets te verliezen. Zou het nog steeds zo goed met me gaan?
"Je ziet er goed uit," zei de uroloog. "Hoe voel je je?"
"Goed," antwoordde ik onmiddellijk om hem niet de kans te geven vervelende conclusies over mijn welzijn te trekken.
Marion corrigeerde me en somde een lijstje met mijn klachten op. Het waren ofwel de gevolgen van de bestraling of nog steeds het effect van de behandeling waardoor ik hormoonloos was geworden. Met name dat laatste zou ik weer snel willen zien veranderen.
"Dat kan enige tijd duren," legde de uroloog uit.
Het gesprek met de uroloog was interessant en belangrijk, maar intussen popelde ik om de uitslagen van het bloedonderzoek te horen. Uiteindelijk is dat de enige manier om objectief vast te stellen hoe het met me gaat en of de kanker terug komt. Ik mag me goed voelen, maar dat zegt niets. Anderhalf jaar geleden voelde ik me als God zelve, zij het dat de heer wel heel vaak moest plassen, en hoorde ik dat mijn PSA te hoog was en dat het mis was. Nu heb ik anderhalf jaar behandeling achter de rug en ik moet nog steeds vaak plassen. Waarom zou dan nu mijn PSA goed zijn en ik helemaal in orde?
"De PSA is niet meetbaar," zei de uroloog. "Dat gaat goed. Maar je weet natuurlijk niet of het komt omdat de bestraling effectief is geweest of dat het 't na-effect is van die hormonale behandeling."
Dat ontbreken van de hormonen blijft een gemengd genoegen. Het liefst had ik dat ze mijn leven weer onrustig maakten, maar met de terugkeer kan ook de kanker weer opspelen. Ik weet niet meer waar ik precies blij mee moet zijn.
"We kunnen natuurlijk met de medicijnen stoppen om te zien of de PSA weer omhoog gaat," stelde de uroloog voor. "Maar als die dan stijgt moeten we wel weer snel met de medicijnen beginnen en heel hoog gaan doseren om het dan weer omlaag te brengen. Laten we over drie maanden maar weer kijken."
Dat leek me een beter plan dan dat van de broeder. Over drie maanden kom ik terug en intussen reis ik overal naar toe. Ik kan niet anders. Ga ik de deur niet uit, dan droom ik de mooiste werelden bij elkaar. Het enige nadeel van zo'n reis in bed is dat ik er na afloop geen foto's van kan bekijken, terwijl ik er zoveel heb gemaakt.



Terug