Week 2004 29
Het meisje zal een jaar of elf geweest zijn. In tegenstelling tot haar ouders die in vormeloze oranje regenjacks liepen had ze met zorg haar kleren uitgekozen. Een strakke driekwart broek, modieuze schoentjes en een trainingsjackje waarmee je voor de dag kunt komen. Ik zag haar in de lingeriewinkel, waar ik met Marion was beland. Op de wekelijkse winkelavond bleken de nuttige winkels waar we nog van alles hadden willen aanschaffen gesloten. Alleen de plaatsen waar men verkoopt wat je niet nodig hebt hadden hun deuren wijd open. Ik ben een ervaren winkelbegeleider. Het lukt me niet om eindeloos met mijn ogen langs de rekken te gaan op zoek naar iets waarvan ik nog niet wist dat ik het wilde hebben. Ik kijk als ik in een winkel kom allereerst waar de stoel staat. Er is altijd een stoel aanwezig voor mannen zoals ik. Daar nam ik plaats en vandaar zag ik het meisje, gevolgd door een jonger zusje, met een bikinietje naar de verkoopster lopen.
"Heeft u dit ook iets kleiner?" informeerde ze.
"Nee," zei de verkoopster die zelf overal ruim gebouwd was en dus ook over een omvangrijke boezem beschikte. "Dat is voor meisjes vanaf dertien, veertien. Die al iets hebben dat er in past."
Het meisje liep teleurgesteld met het klerenhangertje waaraan het tweedelige badpak was opgehangen terug.
Het sneed door mijn hart. Waarom was er niet iets in die winkel waar het kind zich mooi in zou voelen? Waarom ging de boezemrijke verkoopster niet naar achteren, waar vast een naaimachine stond, en verbouwde ze het gewenste kledingsstuk niet tot iets waar het meisje gelukkig door zou zijn?
Ik troostte me met de gedachte dat ze natuurlijk nog alle tijd had. Vanaf een zomer over twee of drie jaar kon ze nog een leven lang deze winkel binnenlopen en uitkiezen wat ze wilde.
Het laatste jaar denk ik vaak aan mijn jeugd. Ik zou willen weten waar ik toen op hoopte, wie ik wilde zijn en wat mijn grootste teleurstellingen waren. Een groot deel daarvan is effectief verdrongen in mijn behoefte in het hier en nu gelukkig te zijn. Laat me het anders formuleren, want gelukkig is een hol woord. Het is meer dat ik altijd bezig was te voorkomen dat ik ongelukkig was. Wat dat is weten we wel, want ongeluk behoort bij de werkelijkheid, terwijl geluk meer bij de droomwereld behoort. Gelukkig ben ik de jongen van toen niet uit het oog verloren. Ik weet nog veel, maar als ik met Marion praat vraagt ze me wel eens dingen waar ik geen antwoord op kan geven. Wat voelde ik toen ik voor het eerst door een meisje werd afgewezen? Is dat nooit gebeurd? Was ik zo'n dromer dat ik het nooit in de gaten had? Ben ik de meesterverdinger? Het hindert me dat bepaalde stukken herinnering niet meer tot mijn beschikking staan, want dat is de schatkamer voor een schrijver. Marion zegt het altijd tegen me: ik moet terug naar de pijn om echte diepgang in mijn werk te krijgen. Maar ik hou niet zo van die pijn. Dus ik doe het niet vaak genoeg.
Mijn moeder, die vierentachtig is en al lang niet meer geïnteresseerd in modieuze badkleding, belt me op.
"Ik zit in dat dikke boek van je te lezen," zegt ze. "Over die medicijnen. Maar ik kan niets vinden over middelen tegen vergeetachtigheid."
"Kijk eens bij dementie of Alzheimer," antwoord ik. "Waarom zoek je dat?"
Het blijkt niet voor haarzelf te zijn.
"Mieke gaat steeds meer van alles vergeten," legt mijn moeder uit. "Ik moet alle afspraken op een papiertje schrijven en bij haar op de koelkast plakken. En bij bridgen is het helemaal lastig."
Mijn moeder brengt haar tijd door met lezen en bridgen. Mieke is haar bridgemaatje en ik kan me voorstellen dat een partner die zich niet herinnert welke kaarten gespeeld zijn reuze lastig is.
"Ze is daarbij ook nog al driftig van karakter," gaat mijn moeder verder. "En dan is ze vaak vergeten wat er geboden is. Annie is doof. Die loopt ook tegen de negentig. En die heeft het dan niet gehoord. Dat wordt ruzie."
Ik begrijp dat mijn moeder naarstig op zoek is naar een medicijn dat het geheugen bevordert, zodat er weer behoorlijk kan worden gekaart en de ruzies tussen vriendinnen uitblijven. Ze wil natuurlijk niet in een eeuwig durende woordenstrijd gevangen worden. Is het leven op die manier nog wel leuk? Met mijn uroloog heb ik afspraken over euthanasie gemaakt.
"Natuurlijk," zei hij. "Maak je maar geen zorgen."
Het was de eerste keer dat ik hem aardig vond en ik merkte dat hij ook blij was dat hij me eindelijk echt iets kon geven waar ik wat aan had. Het gebeurde erg en passant, alsof ik hem vroeg de volgende afspraak op de polikliniek vooral niet te vergeten.
Ik zit ergens tussen dat meisje en de vriendin van mijn moeder in. Dichter bij mijn moeder's vriendin dan bij dat meisje. Ik weet het allemaal nog als ik wil, maar besef ook dat het moment dat het verdwijnt en me voor goed ontglipt dichtbij is. Er moet nog veel pijn geleden worden voordat ik alles opgeschreven heb wat ik nog van plan ben te vertellen.



Terug