| Week 2004 30 Buiten de taxi is het heet. Natte tijd in Thailand. De lucht trilt boven de auto's die in de file staan. Ik ben op weg van mijn hotel naar het complex waar de vijftiende internationale aids conferentie wordt gehouden. De taxichauffeur is een jaar of dertig en lijkt absoluut niet op de foto die het identiteitsbewijs siert dat duidelijk voorin de auto te zien is. Het is overigens moeilijk om wie dan ook via die foto te herkennen want hij lijkt het meest op een kopie van een onscherp met potlood getekend portret. Buiten kijken de palmbomen geduldig naar de stilstaande rij auto's onder hen. Er is geen ontkomen aan: file in de stad der engelen. Hier zijn meer auto's dan wegdek. "A you comfoltable?" vraagt de taxichauffeur, die blijkbaar behoefte heeft om te communiceren en zich niet wil laten hinderen door zijn gebrekkige kennis van het Engels. Misschien ziet hij mijn aanwezigheid in de taxi als een mooie gelegenheid om wat hij tijdens de avondschoollessen leert in praktijk te brengen. "Yes, yes," antwoord ik om zijn vriendelijkheid te belonen. Hij zwijgt enige tijd op zoek naar een nieuwe zin. "You holiday?" "Work." "How do you do?" "Fine." "How do you do?" dringt hij aan. Ik aarzel. Wat wil hij precies van me? Ik denk diep na. Hoe kan ik in één woord uitleggen dat ik jet lag heb en me opgeblazen voel, maar dat ik het toch leuk vind terug te zijn in Bangkok waar ik al twee jaar niet ben geweest? Dat ik in het verleden door mijn werk twee tot drie keer per jaar in Bangkok kwam en dat ik elke keer weer vol opwinding om me heen keek om te zien hoe de stad weer was veranderd. Een vervolgverhaal dat de eigentijdse geschiedenis van Zuid Oost Azië verbeeldt. Dat ik door omstandigheden een tijd niet heb kunnen reizen, dat ik Bangkok niet heb gemist, maar het toch roerend vind te stad terug te zien onder weer een nieuwe laag hoge gebouwen en fly overs. "OK," zeg ik. "How do you do?" houdt hij geduldig vol. Ineens begrijp ik wat hij me eigenlijk wil vragen. "Oh, I am a doctor," antwoord ik snel, blij dat ik hem ten dienste kan zijn. Eigenlijk haat ik de vraag wat ik doe, want hij dwingt me te kiezen tussen mijn verschillende activiteiten en ik heb mijn leven lang niet willen kiezen. Nog steeds niet. Dokter is me te mager. Ik doe meer dan dat. En als ik moet kiezen wat ik het belangrijkste vind dan zou ik schrijver moeten zeggen. Schrijven is een manier van zijn. Altijd observerend, analyserend, zoekend naar woorden om effectief uit te drukken wat je wilt. Een dokter is iemand die een opleiding gevolgd heeft. Tsjechov had een prachtig antwoord op de vraag wat hij nu eigenlijk was, een schrijver of een dokter. "De geneeskunde is mijn wettige echtgenote, maar de literatuur is mijn minnares. Als ik genoeg van de een heb, breng ik de nacht met de ander door. Hoewel het ongebruikelijk is, wordt het leven er minder saai door, en trouwens, ik doe geen van de twee tekort met mijn ontrouw." Dat aan de taxichauffeur uitleggen gaat me wat te ver. "I am here for the conference," zeg ik en wijs op een van de billboards langs de weg die de bewoners van Bangkok attent moeten maken op de gedenkwaardige gebeurtenis. "You live fal flom wolk?" wil hij weten. Opnieuw denk ik lang na. Bestaat er voor het goed beantwoorden van zijn vraag een eenvoudige sleutel, die ik niet zie omdat ik niet open sta voor die Thaise wereld van boeddha's en wierook? Dit gesprek lijkt nergens toe te leiden. "Yes," zeg ik en we zwijgen verder de hele file lang. Ik kijk naar buiten langs de tempelmedaillons die hij aan zijn achteruitkijkspiegel heeft gehangen en die ons veilig door het verkeer moeten helpen. Het is goed om hier weer eens te zijn. Toen ik dacht dat het voorbij was en dat mijn maanden geteld waren kwam nooit het verlangen bij me op om voor de laatste keer een land te bezoeken waar ik gelukkig was geweest. Het was overal mooi en als ik mijn ogen sloot kon ik het allemaal zo weer oproepen, en wonderlijk genoeg - op het moment dat ik dat wilde - tegelijkertijd en dwars door elkaar heen. De wandelingen door de rijstvelden in Indonesië, de ritten boven op vrachtauto's door het Andesgebergte, de straten van Greenwich Village op een dag in september, de fietsers met militaire jasjes in Hanoi en de glimlachende Thais an Laotianen in het Noordoosten van Siam, waar ik werkte en de nachten in tempels moest doorbrengen als er geen hotel in de omgeving was. Ik hoef echt de deur niet uit om te controleren of ze er nog zijn. Naast ons in de file staan drie pick up auto's. In de laadbak staan grote goed ingepakte boeddhabeelden. De altijd herkenbare contouren verraden wat er onder het dikke plastic zit. In elk van de auto's zit een man die zorgvuldig over de boeddha's waakt. Ineens zou ik graag de taxi uitstappen, de hitte in, het plastic van de beelden halen en ze even vastpakken. Om ze te bedanken dat ik er nog ben, dat ik weer reis en mijn nieuwsgierige ogen mag laten glijden langs de werkers aan de weg die even pauzeren en met doeken voor hun mond, als desperado's, op een rijtje gehurkt op het smalle betonrandje van de middenberm zitten. Dat ik kleefrijst met mango mag eten. Langs de weg verse sinasappelsap met een klein beetje zout erin kan kopen. De auto's trekken op en eindelijk ben ik op het terrein van Impact waar de conferentie gehouden wordt. Bijna twintigduizend mensen zullen daar zijn. Een kleine stad. Ik zal de mensen ontmoeten die ik ken. We zullen even praten. "Hoe gaat het?" vragen ze. Ik zal hen antwoorden dat het heel, heel erg goed gaat. "It couldn't be better!" De taxichauffeur stopt voor de hoofdingang en kijkt naar me. Ik kijk intussen naar de taximeter en betaal hem. Als ik uitstap draai ik me naar hem toe, kijk in zijn ogen en hij zegt in zijn beste Engels: "I hope you have a vely good day." Terug |