Week 2004 32
"Je weet toch dat ik zaterdag vertrek," zegt mijn moeder.
Ze denkt altijd dat ze me moet waarschuwen opdat ik bij een onverwacht bezoek niet voor een gesloten deur sta. Maar daar hoeft ze zich geen zorgen om te maken, want ik ben een telefoonzoon. Het liefst bel ik haar vanuit de auto.
"Je gaat toch op vakantie," zeg ik om aan te tonen dat ik echt wel naar haar luister als ik met haar praat.
"Ja een Rijnreisje," antwoordt mijn moeder. "Ik heb er helemaal geen zin in. Voor Wil hè. Ik denk dat het haar laatste reisje is. Langs de Rijn. Dat wil ze graag. Ach ja, door al die kankerbehandelingen de afgelopen twintig jaar is haar lichaam aangetast."
"Hoe oud is ze?" informeer ik.
"Zesenzeventig of zevenenzeventig. Nog jong."
"Dat is anders niet gek voor iemand die ze eigenlijk niet meer wilden behandelen omdat het al te ver gevorderd was," merk ik op.
Zelf is mijn moeder vierentachtig en met twee nieuwe heupen en een kunststof knie is ze nog erg ondernemend.
Als ik bij de orthopedisch chirurg naar een foto van mijn eigen heup staar, vraag ik me af of die versleten heupen iets erfelijks zijn of dat we het in het bloed hebben ons veel te druk te maken. Altijd bezig. Rennen. Daar slijt je langzaam maar zeker van. Mijn moeder zocht de oorzaak voor haar slechte gewrichten in de jaren dat ze voor haar moeder zorgde. Die leed aan de ziekte van Parkinson, kon zich niet goed meer bewegen en werd kinds. "Elke dag met de fiets ernaar toe. Dat zware lichaam in bed. Verschonen als ze het niet op had kunnen houden. Het moest wel, want mijn vader deed maar wat en vaak vond ik haar met haar kunstgebit omgekeerd in haar mond. Dat lieve mens kon het niet eens aan hem vertellen". Logisch, mijn grootvader was stokdoof.
Zolang er maar iets moois te bedenken is voor wat ons overkomt kunnen we het wel aanvaarden, zelfs als het om versleten heupen gaat. We hebben onze gezondheid geofferd voor iets moois, iets nobels.
"Ik heb er de laatste jaren steeds een beetje last van gehad," leg ik de chirurg uit. "Maar het ging het laatste jaar ineens heel erg achteruit. Ik denk dat het door de hormonale behandeling komt. Geen testosteron meer voor spier- en botaanmaak. Dus ook geen reparatie van die heup."
Hij haalt zijn schouders op en gaat er niet op in. Ik moet geloof ik al blij zijn dat hij me wil zien. Het was moeilijk om een afspraak te regelen en hoewel ik zo'n beetje zijn eerste patiënt ben die dag, laat hij me veertig minuten wachten. Zonder een woord van verontschuldiging komt hij binnen, vraagt wat er aan de hand is, praat door me heen als mijn informatie hem niet interesseert en zegt me op de onderzoekstafel te gaan liggen. Binnen vijf minuten sta ik weer buiten met een briefje in mijn hand dat ik op de afdeling röntgenologie moet tonen opdat men mooie foto's van mijn heup maakt. Dat is zo gebeurd, maar daarna moet ik weer lang wachten.
De assistente heeft medelijden met me en laat me vast in een van de kamertjes van de arts.
"Hij is eigenlijk altijd heel stipt," legt ze uit.
Ze schakelt de computer aan en met behulp van een code brengt ze de foto's die zojuist gemaakt zijn op het beeldscherm. We kijken samen naar de grijzige vlekken.
"Ik weet niet waar ik op moet letten," zegt ze.
"Ik ook niet."
Wat ik wel herken zijn de twee goudstaafjes die in mijn prostaat geschoten zijn zodat die bij de bestralingen goed in de gaten kon worden gehouden. Die zijn toch niet verder uit elkaar komen te liggen, want dan is hij weer groter.
"Kijk," zeg ik en ik wijs naar de vlekjes die de staafjes aangeven. We buigen ons beide voor over, maar juist dan komt de chirurg binnen en het voelt alsof hij ons betrapt heeft bij iets wat we helemaal niet mogen doen. De assistente verdwijnt snel en geruisloos.
"Ik laat mijn goudstaafjes zien," leg ik onhandig uit.
Hij kijkt me niet begrijpend aan.
"Van mijn bestraling."
"Ben je dan ook bestraald?"
Zou ik het hem allemaal niet goed verteld hebben?
"Vanwege mijn prostaatkanker."
"Ben je daar dan niet veel te jong voor?" zegt hij en begint de röntgenfoto te bestuderen.
"Coxartrose," concludeert hij. "Kijk hier helemaal afgesleten. Nauwe gewrichtsspleet. Oneffenheden. Wat wil je?"
Moet ik iets willen? Dat ik weer kan rennen zonder pijn. Dat ik niet meer opsta en eerst een kwartier bezig ben de ochtendstijfheid te bestrijden. Dat ik mijn onderbroek weer zonder trucjes aan kan trekken. Dat ik als ik lang gezeten heb niet mank loop, want ik ben ijdel en wil niet dat iemand me zo ziet.
"Een nieuwe heup op den duur," suggereert de chirurg. "Als het helemaal niet meer gaat."
"Dat heeft mijn uroloog liever niet," leg ik uit. "Het is nu stabiel en je weet niet hoe mijn lichaam gaat reageren als je er in gaat snijden."
"Nou ja. Dat moet je zelf weten," antwoordt de chirurg. "Ik schrijf 'expectatief' in de papieren en ik hoor wel van je."
Daarna is hij weer snel de kamer uit.
Op de terugweg naar huis bel ik mijn moeder. Ze stelt haar standaardvraag. "Hoe gaat het nu met je?"
"Goed," antwoord ik.
"Echt goed?"
"Ja."
Wat is het heerlijk om niet op een ziekenhuisafdeling te liggen, waar die chirurg elke ochtend langs komt, je niet aankijkt, met je papieren rommelt en dan weer verdwijnt.
"Wat doe je nu?" informeer ik.
"O," zegt ze. "Ik zat even op het balkon om mijn benen wat bij te bruinen. Ik ga niet op zo'n Rijnboot zitten met witte benen. Ik schaam me dood. Dan ga ik net zo lief niet."
Ze heeft gelijk. Als je het doet, doe je het met stijl en anders liever niet. Mijn heupkop voelt sinds ik die foto gezien heb als een tandwiel, maar ik hoop maar dat als mijn hormonen terugkomen ze alles herstellen, zodat ik weer helemaal Ivan word.



Terug