Week 2004 33
"Heb je ze zelf wel eens gebruikt?" informeerde de presentatrice van het nieuwsprogramma waarvoor ik op de vroege zaterdagochtend uitgenodigd was. De meeste krantenlezers, redacteuren van radio- en televisieprogramma's, adverteerders en journalisten zijn deze maand op vakantie en dus zijn de kranten maar half zo dik als gebruikelijk en weten ze ook bij radio en tv niet met wat voor nieuws ze de mensen nu weer op moeten vrolijken. Deze week was bekend geworden dat in 2003 3% meer Nederlanders antidepressiva was gaan gebruiken en het had onmiddellijk in alle kranten gestaan. Radio en televisie volgden. Er zijn nu 600.000 mensen in ons land zo ongelukkig dat ze er iets voor moeten gebruiken.
Ikzelf die medicijnen gebruiken? In het afgelopen jaar hadden mijn familieleden en ik wel wat tegenslag gehad, maar het had ons niet aan de alcohol gebracht en we waren ook niet door een ijverige huisarts opgevrolijkt met pillen waardoor we alles ineens leuk vinden.
"Nee," zei ik verbaasd.
Toevallig was ik in het zelfde programma aanwezig als de burgermeester van Amsterdam, die iets vertelde over een nieuwe campagne voor de stad. Alsof dat nodig is. Die is toch al leuk genoeg. Hij knikte instemmend en het lijkt me ook geen man die opmonterende medicatie hoeft te gebruiken.
Het was tijd voor wat vrolijke muziek in het programma en de burgermeester en ik mochten vertrekken. Geen idee wat voor deprimerend onderwerp er na ons zou worden besproken.
"Je ziet er goed uit," zei de presentatrice tegen me terwijl we afscheid namen. "Gaat het ook goed?"
De vorige keer dat ik in hun programma iets had uitgelegd was ik net bezig met mijn bestralingen en waarschijnlijk zag ik er toen wat pips uit. Nu komt er bij elk tennispartijtje een laagje bruin bij en ik voel me weer de koning van de tennisbaan als ik tegen mijn lieve vrouw speel.
Het idee liet me niet los. Ik krijg veel post van mensen die me om advies vragen. Om de meest uiteenlopende redenen zijn ze stemmingsverbeteraars gaan slikken en eigenlijk weten ze niet of ze er echt goed aan doen. Onenigheid met schoonmoeder, partner weggelopen, hond overleden, chagrijnig voor het ongesteld worden, last van een ochtendhumeur, angst voor terroristische aanslagen, elke dag weer twee keer in de file staan. Wat moet een arts ook met al die droevige mensen?
Juist toen ik het gebouw van de omroep verliet - waar ik de burgermeester keurig voor liet gaan - kwam ik Martin Ros tegen, die elke week enthousiast vertelt wat hij gelezen heeft. Hij doet dat met zo'n vaart dat er vijf boeken meer in een programma passen dan normaal en op een manier waarbij je denkt dat hij elk moment een geweldig orgasme van boekenvreugde kan krijgen.
"Hallo Martin," zei ik. Omdat hij jaren lang uitgever van Marion's boeken was kennen we elkaar.
"Hallo," antwoordde hij. "Wie is dat?"
"Ivan," reageerde ik, verbaasd en licht uit het veld geslagen omdat hij me niet herkende.
"Nee, die man. Die voor je liep."
"O, Cohen van Amsterdam," legde ik lachend uit. De burgermeester heeft natuurlijk nooit een boek geschreven. Anders had Martin het vast wel geweten.
"Hoe gaat het?" vroeg hij.
Door zijn vraag werd ik me er extra van bewust dat hij er zelf niet goed uitzag. Het was erg warm, maar zijn overhemd was wel bijzonder nat geworden. Grote donkere plekken onder de oksels en op zijn rug. Zijn gezicht was vlekkerig. Hij was ook een stuk dikker geworden dan de vorige keer dat ik hem had gezien en hij liep moeilijk. Dat komt er natuurlijk van als je de hele week moet lezen en geen tijd meer hebt voor een stukje op de racefiets.
"Gaat wel," antwoordde ik. "Je gaat toch wel mijn boek lezen dat over twee weken uit komt."
"Waar gaat het over?"
"Over mijn kanker," zei ik vrolijk alsof het om een leuke vakantie ging.
Hij draaide zich onmiddellijk om en liep het gebouw in. Wat ik zo aardig aan hem vind is zijn schaamteloze interesse in boeken over seks en oorlog. Veroudering, aftakeling en ziekte zijn niet echt zijn thema's. Hij houdt denk ik van de echte heldendood.
Bij de deur draaide hij zich nog om en zei over zijn schouder "Doe de groeten aan Marion".
In de auto op weg naar huis drong de vraag zich aan me op wie er eerder dood zal gaan. Martin Ros of ik? Het is natuurlijk vreemd en erg onbelangrijk, maar de menselijke nieuwsgierigheid stopt niet bij wat essentieel is en hecht zich stevig vast aan het triviale. Het lukte me niet meer om iets zinvols te overdenken.
Zou die man, waarvan aan de buitenkant zichtbaar is dat zijn bloedvaten als zwaar verkalkte waterleidingen nog slechts het hoogstnoodzakelijke doorgeven aan de organen die om verse bloedaanvoer smeken, door onze gezondheidszorg langer in leven gehouden kunnen worden om de stapels boeken die op zijn bureau liggen nog allemaal uit te lezen, terwijl ik op een slechte dag ingehaald kan worden door de ontspoorde cellen, die een eigen leven zijn gaan leiden en met mij niets meer te maken willen hebben? Is dat eerlijk? Ik heb ook nog wat boeken uit te lezen en wil er trouwens ook nog een paar schrijven.
Maar het gaat goed met me. Zeg ik dat niet altijd, wat er ook gebeurt? Mijn moeder informeert er niet voor niets een paar keer naar, alsof ze mijn antwoord niet vertrouwt. Terwijl ik dit schrijf bedoel ik 'echt goed'. Het lijkt zelfs of langzaam maar zeker mijn hormonen terug aan het komen zijn. Met een beetje testosteron in mijn lichaam ben ik nog eens onweerstaanbaar veel vrolijker.



Terug