Week 2004 35
Achteraf in een hoek van een tuin in Velp staan wat monumenten van rampen die in een ver continent hebben plaatsgevonden. Bamboestruiken en open koloniaal aandoende gebouwen moeten de enkele bewoners van het terrein, die zich in rolstoelen voortbewegen, het gevoel geven dat het hier om een stukje Nederlands Indië gaat. Hier brengen de strijders voor de verloren kolonie hun laatste dagen door. Bronbeek heeft daarom ook een commandant, een potsierlijke snordrager die aan het einde van zijn carrière en na een vakantie in Indonesië zijn bestemming heeft gevonden. Hij was te licht voor Al-Muthanna in Zuid Irak en te groot voor Madurodam. In die achteraftuin, in een hoek van ons land waar uitsluitend tropische vogels op bezoek komen, had men een plek gevonden voor het monument voor één van de grootste scheepsrampen uit de wereldgeschiedenis. Tien meter naast het monument voor de overlevenden van de jongenskampen en met iets verderop het monument voor de slachtoffers van de Javaanse vrouwenkampen.
Zestig jaar na de torpedering van de Junyo Maru, waarop mijn schoonvader als krijgsgevangene van de Japanners vervoerd werd, mocht hij samen met een andere tachtigjarige de marmeren plaat onthullen. De mannen werden daarbij geholpen door hun kleinzonen. Kaja had voor deze gelegenheid zijn beste pak aangetrokken en een oude KNIL stropdas die hij ooit van zijn opa had gekregen omgedaan. Er werden kransen gelegd en elke Indische organisatie in Nederland had wel iemand gestuurd die aan de bloemenhulde meedeed, maar het bleef een plechtigheid die tot die tuin beperkt bleef. Geen bloemen van de vrouwen van Ravensbrück of de kinderen van Dachau. Een bejaarde Indo zei: "Waarom is er niet iemand van het koninklijk huis?" Ze zijn ook vaak zo koningsgezind. Je kunt natuurlijk niet alles hebben in het leven. En een indrukwekkende scheepsramp waardoor je nooit meer rustig slaapt, en na zestig jaar een monument, en aanwezigheid van vertegenwoordiging uit de rest van Nederland.
Marion las een verhaal voor over haar vader die vertelt hoe hij als het schip op zinken staat in de oceaan springt, terwijl hij niet eens kan zwemmen en ik was de familiefotograaf. Om een mooie foto te kunnen maken liep ik om het monument heen en keek de twee mannen die ruim boven de tachtig waren in het gezicht. Wat kon ik daarin lezen? Was hun blik leeg door een leven lang verdringen van de herinnering aan een nacht in de oceaan waar rondom hen de jongens om hun moeder riepen? Was alle pijn over de verdronken familieleden en vrienden verdwenen door de pogingen er zo min mogelijk over te denken?
De mannen bleven maar staan en wilden niet meer weg. Begrijpelijk. Krijg je eindelijk een monument en erkenning, dan kun je er ook maar het beste zo lang mogelijk van genieten. Het leek of de besnorde commandant de oude man die naast mijn schoonvader stond er tegen aan duwde om het dramatisch effect wat te vergroten, maar misschien omhelsde de man het koude steen uit zichzelf alsof het om zijn hele leven ging, dat hij niet los kon laten, en kwamen de handen van bromsnor later, als een onhandige poging tot troost.
Thuis, als ik de foto's die ik heb genomen bestudeer, kijk ik steeds weer naar de ogen van mijn schoonvader. Volgens mij zien ze helemaal niets en zijn ze naar binnen gekeerd. Ze volgen de route van een jongen voor wie de wereld nog moet beginnen naar een drieëntachtigjarige die steeds vaker iets vergeet, regelmatig pijn in zijn rug heeft waardoor hij humeurig wordt en liever op de bank naar tennis kijkt dan er nog op uit gaat. Die ogen kijken niet naar de dood, maar houden zich met de vraag bezig waarom hij toen in hemelsnaam bleef leven. Het was door toeval dat hij niet in het scheepsruim was, maar op het dek zat en hij had ook nog eens alles tegen omdat hij niet kon zwemmen. De dood is niet interessant, maar de grillen van het leven zijn onnavolgbaar en houden ons voortdurend bezig.
Gedurende de afgelopen twee jaar heb ik alle verboden gedachten gehad die je kunt bedenken. Heel vaak vroeg ik me af of ik bij de kist van mijn schoonvader troostende woorden zou moeten spreken of dat hij juist zijn arm om Marion's schouders zou slaan als ik er zou liggen. Laat me bekennen dat ik vanuit de grond van mijn hart hoopte dat ik die bizarre wedstrijd zal winnen, maar tegelijkertijd wil ik dat het nog lang duurt voor ik weet hoe het afloopt. Ik zie de foto waarop mijn schoonvader naar de bruine plaquette kijkt en ik kijk in een spiegel. Een scheepsramp is me bespaard gebleven, maar ik denk meer dan ooit aan de toevalligheden in mijn eigen leven.
Want op een dag staan we misschien tegenover een stenen plaat en kijken zoekend of we onze jeugd er in terug kunnen vinden, of het de moeite waard is geweest, of we andere keuzen hadden moeten maken en wat de reden is dat jij daar staat en niet je vriend die wel moest gaan.
Mijn schoonvader wordt met zachte hand door de organisatie uitgenodigd niet langer bij de ramp stil te staan en terug te keren naar zijn zitplaats. Na afloop vraagt iemand hem of het niet vreselijk zwaar was, zo'n hele nacht aan een vlot hangen in een oceaan. Maar hij is al weer helemaal terug in het nu van de verbeelding van zijn dochter die er verhalen over heeft geschreven.
"Ja, en dat voor een jongen van zeventien," zegt hij alsof hij de hoofdpersoon is van Marion's verhaal 'De stem van mijn vader'.
Maar zijn vrouw, die als taak heeft altijd over de waarheid te waken, zegt "Hoe kan dat nou? Je bent toch van 1921? Je was drieëntwintig jaar."
"Nou ja, drieëntwintig dan," lacht hij.
Er is een reeks toevalligheden die op 14 september 1944 plaats vond. Een Engelse torpedojager die niet weet dat het Japanse schip krijgsgevangenen vervoert en het commando geeft torpedo's af te schieten. Een jongen van drieëntwintig die geen zin heeft bij zijn ooms in het scheepsruim te blijven en naar het dek gaat. Dat hij ondanks het feit dat hij niet kan zwemmen niet probeert een reddingsboei te pakken, iets dat zijn vriend Trompet wel doet waarna een Japanner met een bijl door zijn schedel slaat. Dat hij op wonderlijke wijze de moed vindt in de donkere oceaan te springen. Dat daar juist een kist langs drijft waaraan hij zich vast kan klampen. Al die toevalligheden horen net zo goed bij zijn als bij mijn leven, want als ze niet hadden plaats gevonden had Marion niet bestaan en was ik niet op 17 augustus 2004 in die tuin in Velp geweest, denkend over wie er eerder gaat of later, zinloze vragen omdat het antwoord erop door het lot en niet door logica worden bepaald.


Terug