Week 2004 37
Mijn boek met op het omslag de foto die Marion van me maakte ligt op tafel bij de interviewer. Hij gaat me vragen stellen over persoonlijke zaken: over mijn gezwel, over waarom ik het zo laat ontdekte, en of ik het als arts moeilijker had dan een gewone patiënt. Het is paradoxaal, maar ik had dat juist allemaal opgeschreven omdat ik er niet over wilde praten en vrienden en familie zo toch konden lezen hoe het me verging. Maar nu het boek verschijnt komen de vragen toch en ze worden me gesteld door volkomen vreemde mensen. De aandacht van de mensen die me kennen was een cadeau. De volhardende pogingen van de mensen die me nu komen ondervragen zijn professionele technieken om te zorgen dat ik het achterste van mijn tong laat zien. Ik ben evenwel trots op mijn boek en wil dat het gelezen wordt. Daarom werk ik mee tijdens de afspraken die de uitgeverij gemaakt heeft.
'Walvis spelen' is per ongeluk ontstaan. Ik ben nooit achter mijn bureau gaan zitten met het plan om eens een nuttig boek over prostaatkanker te schrijven. Nee, ik wilde de onwillige realiteit de baas zijn en telkens weer met behulp van pen en verbeelding iets moois maken van de narigheid die me overkwam. Ik nam me zelfs voor het woord kanker nooit te gebruiken omdat het gewoon niets, maar dan ook niets poëtisch heeft.
Elke week schreef ik mijn weekboek. Ik leefde er naar toe en was de hele zaterdag euforisch als het klaar was. Dan zette ik het op de website en was het weer voorbij. Het was soms moeilijk op de volgende zaterdag te wachten. Ik wilde schrijven om het monster te bedwingen. Het was een vorm van zelfhulp.
Aanvankelijk kwamen er drie mensen per dag naar mijn site om het stukje te lezen. Later werden het er zeven, veertien, twintig, dertig tot op een gegeven moment elke week honderden mensen mijn weekboek lazen. Wie ze zijn weet ik niet. Waarom ze het lezen evenmin. Soms dacht ik dat ze me in leven hielden door elke week te gaan kijken. Toen iemand me vroeg wat ik nu met al die teksten ging doen, besefte ik dat al die weekboekafleveringen bij elkaar een boek vormden en daarom is het nu ook in die vorm verschenen.
Een jongen die een radioprogramma voor volgende week moet voorbereiden vraagt me: "En wat wilt u de lezers nu zeggen met uw boek?"
Ik kijk verbaasd.
"Niets," zeg ik.
Hij is even stil, misschien nog wel verbaasder dan ik. Wie schrijft er nu een boek zonder dat hij iets wil vertellen? Ik schrijf vanuit een zuiver egoïstische motivatie. Ik wil niet weg en schrijven om te blijven, mijn leven via woorden verankeren in de wereld.
Een vrouw die me interviewt zegt dat het boek een steun zal zijn voor mensen die kanker hebben. Is dat zo? Ik heb dat nooit gewild en vraag me af of het waar is. Hun drama is meestal zo groot: kanker en nog jonge kinderen, binnen twee maanden overleden. Wat mij overkomt valt allemaal best mee.
Wat ik wil is leven en als me gevraagd wordt of de situatie in de gezondheidszorg van nu veranderd is vergeleken met dertig jaar geleden voel ik me ongemakkelijk worden. Wat weet ik daar nu van? Ik heb er geen onderzoek naar gedaan en wil ook niet als een expert op dat gebied beschouwd worden. Nadat ik vroeger het boek 'Een eindje meelopen' geschreven had werd ik regelmatig gevraagd om lezingen over stervensbegeleiding te geven. Dan antwoordde ik meestal dat ik het niet wilde omdat ik er geen verstand van had aangezien ik nog nooit dood was gegaan. Ik vond het wel een stoer antwoord. In werkelijkheid had ik er gewoon helemaal geen zin in, want het leek me een bedompt en ontmoedigend onderwerp. Ik was jong, gezond en arrogant.
Wat moet ik nu als mannen met kanker me opbellen of brieven schrijven om hun problemen voor te leggen? Van een groepje hardlopers of tennissers wil ik wel deel uitmaken, bij mensen die naar de bioscoop gaan voel ik me thuis, bij vrienden die lachen en op een warme najaarsmiddag samen een koel glas witte wijn drinken. Maar niet bij de afscheidsnemers, de wanhopigen. Ik wil nog niet en schrijf mezelf weg van die wereld van droefheid door het te bagatelliseren, te doen alsof ik alleen maar even ernaar kijk, maar er niets mee te maken heb. Ik ben de onderzoeksjournalist, die zelf een gezwel heeft genomen om af te dalen in de onderwereld om er over te vertellen, maar haat het als ik moet denken dat ik slachtoffer of patiënt ben.
Die weekboeken schrijf ik om afstand te nemen van de menselijke onhandigheden en pech. Ik hoop maar dat de lezers er een beetje om moeten lachen en soms geroerd zijn.
Op dinsdag nam ik mijn boek mee naar de Iranese bestralingsarts. Bij de uroloog moet ik om de drie maanden komen, bij hem om de zes maanden. Hij lacht en vertelt me dat hij weer naar me gekeken heeft op de televisie. Het zijn de herhalingen van een programma, waaraan ik mee deed omdat ik niet dood wilde en dat kon bewijzen door elke week op de tv te verschijnen.
"Hoe is het nu met de ontlasting?"
"Zo lang ik niet hard loop gaat het goed."
"Met plassen?"
"De ene keer meer problemen dan de andere."
"Met de potentie?"
'Steeds beter."
Hij steekt zijn vinger bij me naar binnen en zegt:
"Voelt zacht aan. Geen knobbels."
Als ik hem het boek geef, kijkt hij me verrast aan: "Dat moet mijn dochter lezen, want ze gelooft niet dat ik u ken."
Met zijn Aziatische beleefdheid probeert hij me waarschijnlijk een goed gevoel te geven. Zijn dochter zal wel naar TMF of MTV hebben willen kijken en toen ze de afstandbediening pakte heeft hij natuurlijk gezegd "Laat even staan, want ik ken die man". En zij zei daarop "Ja, dat zal wel."
Zijn ogen twinkelen als hij vraagt: "En wat vindt u nu van Hirsch Ali?"
"Misschien vindt ze zichzelf wat belangrijker dan de zaak waar ze voor staat," zeg ik. "Ze heeft zo'n leeftijd waarop je nog gelooft dat je de hele wereld bezit, of je nooit dood zult gaan."
"Iemand zou haar moeten begeleiden," antwoordt mijn Iranese vriend. "Ze heeft helemaal gelijk, maar ze gedraagt zich alsof ze ronselaar voor Bin Laden's legers is. Wat moet je nou als je een werkloze migrant bent, je dak lekt en bij de woningbouwvereniging krijg je een antwoordapparaat dat vertelt dat je voor overige vragen een negen moet indrukken. Als je dan iemand op tv ziet die alles wat je nog heilig is beledigt, denk je "nu snap ik waardoor het komt."
Wij voelen ons twee wijze oude mannen. Voor ik weg ga, vraagt hij me nog even iets voorin het boek te zetten.
"Hoe heet je eigenlijk van je voornaam?" vraag ik hem.
Als hij me antwoord heeft gegeven schijf ik op: "Voor mijn vriend Homan."
Ik hoop dat zijn dochter het zal zien, een volslagen vreemde voor wie ik wil bestaan. Later als haar vader naar een verzorgingsflat gaat en ze bij het verhuizen helpt, zal ze naar de boeken kijken. Wat moet er mee gebeuren, want het zijn er meer dan hij kan hebben in dat kleine kamertje. Boeken die hij meegebracht heeft uit Iran legt ze apart en als ze 'Walvis spelen' tegenkomt, denkt ze: "Dit niet weggooien. Hij was een vriend van mijn vader."



Terug