| Week 2004 43 Langs de kant van de weg vlak bij mijn huis lag een beertje. Een kind bij de moeder achter op de fiets had het waarschijnlijk laten vallen en het kon nog niet uitleggen dat Bruintje verdwenen was. Daarom huilde het alleen maar en de moeder had geen flauw idee wat er aan de hand was. Ik keek tevergeefs of ik ergens in de verte nog een vrouw met kind zag fietsen om haar achterna te rennen. Een uitgebreide tocht langs de deuren leek me zinloos en bovendien zouden mijn dorpsgenoten gaan denken dat ik een perverseling ben op zoek naar kinderbilletjes. Alles liever dan dat. Trouwens, ik was op weg naar het ziekenhuis om mijn bloed te laten prikken, want de dokter vertelt aan de hand daarvan hoe het met mijn toekomst gesteld is. Mijn gedachten gingen terug naar Appie. Onze zoon, toen nog zes, had een uitgebreide collectie knuffelbeesten, maar Appie was de liefste: een pluchen aap met glanzende ogen. Appie moest altijd mee op reis en als we samen verhalen schreven in Kaja's schoolschrift, speelde Appie een belangrijke rol. We waren in Indonesë geweest en tijdens een tussenstop in Bangkok gingen we even de stad in om te winkelen. In de taxi terug naar het vliegveld was Kaja erg stil. Hij keek sip. Ineens vroeg Marion: "Waar is Appie?" De aap moest nog ergens in een winkelcentrum liggen. Marion noch ik konden het idee verdragen dat Kaja zijn metgezel kwijt zou raken, maar als we terug gingen, zouden we misschien het vliegtuig missen. We lieten de taxi toch omkeren en we vonden Appie op de toonbank van de afdeling spijkerbroeken. Precies op tijd waren we op het vliegveld om in te checken. In de auto op weg naar het ziekenhuis herinnerde ik me hoe Kaja en ik eens in de stad langs de Bijenkorf liepen. Er viel een bol van het ijsje van een jongetje op de grond en het ventje begon stilletjes te huilen. "Zit niet te zeuren," zei zijn moeder. "Had je maar op moeten letten." Wat valt er uit te kijken als een berg smeltend ijs van je hoorntje glijdt? Het leek me een goed moment voor enige opvoeding van mijn zoon. Misschien kon ik hem wat sociaal gevoel bijbrengen. "Zal ik die jongen een nieuw ijsje geven?" vroeg ik aan Kaja, die toen veertien was. "Ben je gek?" antwoordde hij en ik zag dat hij zich voor me schaamde. In zijn ogen meende ik te lezen dat hij ineens begreep waarom zijn vader zich bezig hield met ontwikkelingslanden. Angst voor pijn bij anderen, bezorgdheid over verdriet bij mensen die ik niet ken. Vreselijk slapheid. Zoiets moet hij gedacht hebben. Zijn vader was een hopeloos geval. Het is toch nog een beetje goed met me gekomen, want toen ik vorige week in Kuala Lumpur was dacht ik echt niet dat de mensen die vanwege het middaggebed midden op straat op hun knieën lagen op zoek waren naar het gevallen ijsbolletje. Nee, ze waren op zoek naar betekenis van wat er met ze gebeurt in zulke verwarrende tijden zoals de huidige. De antwoorden zijn helaas onvindbaar geworden. Toen ik het kantoor van onze organisatie in de Maleisische hoofdstad binnenliep begroette Mei Yun, onze accountant, mij met de vraag: "Oh, is je haar weer aangegroeid?" Alsof het ooit uitgevallen was en ik een zware chemokuur had doorstaan. Ze had me in februari ook gezien en kon weten dat mijn haar was blijven zitten. In haar belevingswereld hebben mensen die voor kanker behandeld worden kale hoofden. Ik knikte. "Je bent ook weer een stuk dikker," zei ze. Mei Yun is niet de enige die haar observaties van mij laat kleuren door wat ze verwacht van mensen die zoals ik tot het limbo veroordeeld zijn door de opperdokter. Dus denken ze dat ik dikker of dunner ben geworden. Ze vinden me er gelukkig altijd beter uitzien dan de vorige keer. Zondagavond werd een radioprogramma over Marion uitgezonden en daarin werd ook ik aan het woord gelaten. Marion praat over haar werk en haar nieuwe roman, 'De V van Venus', een verhaal over een vrouw die alles verliest. De interviewster had vorig jaar binnen drie maanden zelf haar man verloren. Misschien zocht ze hem terug bij ons. Omdat Marion en ik niet in Nederland waren moesten we het programma een paar dagen na de uitzending via een CDtje beluisteren. Het ging over wat er met de dood van een partner verdwijnt. Het raakte me. Niet om mijn eigen verhaal, maar meer om dat wat de vrouw via de montage over zichzelf vertelde, over wat zij kwijt was, over wat zij - knock out door wat haar was overkomen - herkende in wat anderen nog hadden. Een echo uit een eerder bestaan. De interviewster vroeg ons ook of we liever eerder of later dan de ander zouden sterven. "Als ik een held was, zou ik zeggen later," hoorde ik mezelf zeggen. "Maar ik ben geen held en ga dus liever eerder, want de eenzaamheid is erger dan de dood." Marion en ik hebben elkaar nog. We kunnen nog kibbelen over dingen uit het verleden die we ons op heel verschillende wijze herinneren. Bijvoorbeeld nadat we de film 'Eternal sunshine of a spotless mind' hadden gezien over wat zij en ik wel en niet meer willen weten over alles wat we sinds onze middelbare schooltijd samen beleefden. In het vliegtuig van Kuala Lumpur naar huis zag ik een film - 'Notebook' - over twee oude mensen die alleen via het vertellen van hun gezamenlijk liefdesverhaal flarden van hun leven kunnen terughalen. Het was een corny film, zoals ze dat in het Engels noemen. Ik wilde dat ik een mooi Nederlands woord voor corny wist. Ondanks de dubieuze kwaliteit van de film huilde ik mijn ogen leeg. Dat schijnt te komen door de hoogte. De meeste mensen in vliegtuigen moeten huilen bij de films die ze zien. Alles verdwijnt op den duur. Daarover gaat Marion's roman. Het gevoel van het wegslippende leven is overweldigend. Mono no aware noemen Japanners het. In de teloorgang van alles herkennen we nog de jeugd, het begin. We huilen om wat verdwijnt en zijn tegelijkertijd blij over hoe mooi het was. Kaja heeft rond zijn veertiende al zijn troeteldieren uit zijn leven verbannen. Op een keer kwamen we op zijn kamer en zagen ze gekruisigd, onthoofd of bijgezet in een plastic zak. Alleen Appie kon hij niets aandoen in het wrede proces van het afstand nemen van zijn jeugd. Appie was er nog en is van plan hem te overleven. Om vijf uur haalde ik de krant uit de brievenbus. Ik keek naar de straat en zag het beertje nog liggen. Ik hoop dat de moeder thuisgekomen tot haar schrik ontdekt dat haar lieveling het knuffeldier is kwijtgeraakt, dat ze weer op de fiets stapt en gaat zoeken. Het voordeel van een beer is dat hij niet smelt zoals een ijsbolletje. Terug |