| Week 2004 44 Hebben we uiteindelijk de ballen om grote beslissingen te nemen? Op mijn bureau ligt al maanden een krantenknipsel uit mijn avondkrant. Het is een stukje van Ewoud Sanders waarin hij een opsomming van synoniemen voor het woord teelballen geeft. Dit is maar een selectie: kloten, voeten, pongels, krootjes, knikkers, klissen, eierkolen, klijsters, klossen, uien, walnoten, eieren, peren, dadels, kiwi's, kokosnoten, kamers, zaadtubes, schalen, maggies, bonkjes, kogels, granaten, neukpatronen, harige Harry's, japies, Henk Jannen, familiejuwelen, losse medewerkers, getuigen, kapelaantjes of piepers. Uit deze verzameling fruit en oorlogstuig zou ik niet weten te kiezen als ik gedwongen was een lievelingsterm te noemen. Bovendien heb ik juist een probleem op balgebied en de vraag of ik ze überhaupt nog heb is actueel. Ze zijn nog niet volledig verdwenen, maar wel erg klein geworden - paaseitjes zonder kleurig zilverpapier - en bovendien heb ik al meer dan twee jaar geen druppel zaadproductie gezien. Om te troosten zegt Marion me na het vrijen wel eens: "Ik geloof dat er wat was", maar ik weet wel beter. Het zijn droogkloten. Vandeweek kwam het er echt op aan. Ik had besloten mijn uroloog te vertellen dat ik stop met de hormoonbehandeling. Dat had ik al een tijd geleden bedacht, maar ik slikte de pillen trouw tot op de dag van de driemaandelijkse controle. Het zit nu eenmaal in mijn aard me zo veel mogelijk aan afspraken te houden. Misschien is het wel helemaal geen keuze, maar gebrek aan verbeelding dat ik het anders zou kunnen doen en is wat ik voor het gemak loyaliteit aan gemaakte afspraken noem alleen maar lafheid. Wanneer verander ik nu werkelijk mijn gewoontes? De dag nadat ik gehoord had dat het mis was, stopte ik met het poetsen van mijn tanden en deed niet langer mijn dagelijkse buikspieroefeningen. Wat had het nog voor zin? Waarom zou ik het doen? Met tanden poetsen ben ik snel weer begonnen omdat het me onhandig leek om in het laatste deel van mijn leven mensen bij me te verjagen door verspreiding van een onaangename geur uit de mond. Ik had ze misschien nog hard nodig. De buikspieroefeningen heb ik sindsdien echter nooit meer gedaan, hoewel ik me regelmatig voorneem het weer op te pakken. Wel heb ik trouw elke dag mijn pillen geslikt. De sleutelvraag is of als ik met slikken stop en de aanmaak van mijn mannelijk hormoon weer wat sterker wordt het ervoor zal gaan zorgen dat de onvriendelijke cellen in mijn prostaat er weer een feestje van zullen gaan maken. De bestraling zou alles wat op een prostaatcel lijkt een kopje kleiner gemaakt moeten hebben. Maar zijn er nog een paar van die ondeugende jongens achtergebleven, die de kans zullen grijpen om me het leven zuur te maken? Met die pillen blijven ze dan voorlopig tenminste onderdrukt. "Uit onderzoek blijkt dat je kansen wat beter zijn," zegt mijn uroloog elke keer als ik over die pillen begin. Hij beseft niet hoe ik aan mijn testosteron gehecht ben. Fijn spul voor als je een man bent. De kwaliteit van mijn leven blijkt er veel afhankelijker te zijn dan ik ooit kon vermoeden. Onder invloed van de feministische revolutie heb ik met instemming gelezen dat het belangrijk is dat een man zijn vrouwelijke kanten beter leert kennen. Geweldig om te leren hoe je moet huilen. Ik heb echter genoeg van de opvliegers, de beginnende borsten, de huilbuien, mijn versleten heupen die pijn doen als ik ren. Waarom zou ik de man in mezelf al begraven? Kan ik die niet beter gewoon tegelijkertijd met de rest ter aarde laten bestellen? Ooit, alles in één keer. Nog voordat mijn uroloog me de uitslag van het bloedonderzoek heeft gegeven zeg ik hem dat ik met de pillen stop. "We weten natuurlijk niet wat we precies doen," zegt hij. Weten we dat ooit? Ik heb ondertussen alles wat ik heb kunnen vinden over mijn gezwel wel gelezen. Voortaan probeer ik het met tomaten, soja en rode wijn. Er zijn genoeg onderzoeken die aantonen dat het zin heeft. Het lot heeft tenminste als aangename verrassing dat het naast pomedori en tofu ook een lekker glas Shiraz op het receptenpapiertje heeft gezet. Tegen de co-assistente die erbij zit zegt mijn uroloog: "Het heeft natuurlijk geen zin wat ik zeg als mijnheer Wolffers de pillen toch niet slikt." "Precies," zeg ik. Hij lacht. "Maar mocht dan de PSA in je bloed omhoog gaan, dan moet je wel drie keer zoveel pillen nemen." "Toch niet voor straf?" vraag ik hem. "Daar onderhandelen we dan wel over," antwoordt hij met een glimlach. Is dat het? Onderhandel ik voortdurend om de kwaliteit van mijn leven te bewaken en moet ik dat afwegen tegen pogingen om tijd te winnen? "De PSA was trouwens weer onmeetbaar laag," zegt hij. "Het gaat erg goed." Voorlopig heb ik de pongels om ze niet te slikken. Het is 's morgens wel moeilijk. Routinematig loop ik naar de ijskast om de medicijnen eruit te halen, maar als ik het doosje zie, besef ik dat ik ze niet meer wil. Het is of ik het ritueel mis. Terug |