Week 2005 01
De porties waren niet groot geweest, maar er waren er gewoon te veel van. Daarom begonnen op tweede kerstdag halverwege mijn hardlooprondje de bestralingsdarmen op te spelen. Precies daar waar veel huizen stonden werd de aandrang op zijn ergst. Het was nog rustig op straat. De meeste mensen lagen uitgeput van het innemen van hun feestvoedsel nog op bed. Even overwoog ik uit nood bij iemand in een hoekje van de tuin mijn kerstdiner een laatste rustplek te geven, maar het vooruitzicht dat de hond ter plekke zou denken dat die oude man op zijn hurken was gekomen om een beetje te spelen schrok me af. Met een warm gevoel in mijn nieuwe ondergoed en met de benen wijd liep ik naar huis.
Het gaat zo goed de laatste tijd. Ik kan mezelf steeds beter wijsmaken dat er helemaal niets aan de hand is. Het woord kanker is bij ons thuis vrijwel uit het woordenboek gegooid. Af en toe moet ik nog in een interview optreden in een nieuwe aflevering van de dying doctors, maar het gaat al bijna niet meer over mij. Alleen die rampdarmen en zonder mijn rondje rennen valt het me moeilijk gelukkig te zijn.
Een half uur onder de douche en nog eens een half uur om alles in de wasmachine te gooien en te zorgen dat er geen enkel teken meer restte van het ongeluk dat me was overkomen. Daarna achter de computer alsof er niets gebeurd was. Er was iets over een vakantieplaats in Sri Lanka - Tsunami - waar een overstroming wel zeshonderd dodelijke slachtoffers gemaakt had. Het leek me helemaal geen Singalees woord. Ik heb daar toch geruime tijd gewoond en gewerkt toen ik er onderzoek deed voor mijn proefschrift. Het was in 1983, een rampjaar omdat de mensen juist besloten hadden elkaar de kop in te slaan. Tsunami had te weinig R's en lettergrepen om van Sri Lanka te komen en het klonk eerder Japans, een Manga stripverhaal of iets dergelijks.
Verdorie, Kaja en Elle waren vanwege hun huwelijksreis in Sri Lanka. Ineens herinnerde ik me dat midden in de nacht mijn telefoon geluid gemaakt had om te melden dat er een sms-je was binnengekomen. Onmiddellijk zocht ik mijn mobieltje. Ja, het bericht kwam van mijn zoon: "Bestaan de Maladiven nog?" Het leek me een absurde vraag in de categorie 'Ligt Rotterdam nog altijd ten zuiden van Amsterdam?', maar Kaja had daar een reden voor. Hij zou het tweede deel van zijn huwelijksreis immers op een romantisch strandeiland van de Malediven doorbrengen. Daarom besloot ik de televisie aan te zetten, maar op de Nederlandse zenders was het overal tweede kerstdag. Toen mijn zapper de BBC tegenkwam veranderde alles op slag.
Inmiddels gebruiken de mensen die de tijd op televisie vol moeten praten het woord alsof ze al jaren lang precies weten wat het is. Goh, weet jij niet eens wat een tsunami is? Ze hebben het over tsunamiwaarschuwingen en tsunamikenmerken of die al jaren lang in de dikke van Dale staan. De mensen uit De Bilt die vaak al niet eens goed weten of de zon zal gaan schijnen of dat het zal regenen, leggen uit dat de Aziaten niet meer bang hoeven zijn voor tsunamis. De rimpels in het water die later nog optraden waren schijntsunamis. "Bovendien," zegt zo'n deskundige, "is het volkomen onwaarschijnlijk dat er weer een tsunami zal optreden." Alsof de eerste die de Aziaten en toeristen op een mooie zondagochtend verraste wel waarschijnlijk was.
Uit de sms'jes van Kaja begrijp ik dat ze veilig zijn, maar ik kan de BBC niet meer los laten. Op de Nederlandse televisie blijft de kerstrust bewaard. Bij de Noordzee is er niets aan de hand zolang iedereen maar een inburgeringcursus volgt, want wij richten ons bij voorkeur op de eigen provincie met z'n leuke folklore die we cultuur noemen en z'n onwetendheid over de realiteit elders die we met tolerantie zijn gaan verwarren. Pas op maandag als we weten dat alle andere beschaafde landen de tsunami met open armen hebben ontvangen, willen we internationaal meedoen. Het taalgebruik wordt al snel dat van beginnende literatoren, die zich niet los kunnen maken van termen zoals de opeisende zee, een ramp met bijbelse proporties, de wrekende natuur, de zondvloed. Alles om de verdwenen huizen, de rottende lijken en de huilende mensen die in eens alles kwijt zijn en die onze televisies zijn gaan bevolken begrijpelijk te maken. Wij kunnen het niet bevatten en zoeken naar een betekenis. Maar die is er niet. Het gebeurt en we kijken hulpeloos toe. Het strand van Chennai, waar ik een paar weken geleden nog een uurtje wandelde nadat ik mijn workshop had gegeven is veranderd in een slagveld. Banda Aceh, waar ik voor mijn werk geweest ben, herken ik niet meer. De baai van Phuket herken ik nog wel, maar die rare donkere golf die door het beeld komt schuiven als een foutje in een film, die was er nooit. Als het nieuws later toont dat de toeristen waar voor hun geld willen en hun strandstoeltje weer neerzetten, de rug weer in laten smeren en op dat strand bruin gaan bakken of er niets gebeurd is, zie ik op de achtergrond dat de baai weer rustig is geworden. Er beweegt zelfs een waterskiër in plaats van een golf.
Ik ben weliswaar niet op het strand ergens in Zuid Oost Azië, maar straks ga ik koken en nu ga ik post uit de brievenbus halen. Mijn geweten sussen door een flink bedrag over te maken op giro 555 en net als de waterskiër doorgaan alsof er niets gebeurd is.
Bij de kerstkaarten zit een foto van Paolo uit Rio de Janeiro. Het is één van de laatste opnames. We werkten met hem. Hij is overleden aan de gevolgen van zijn aidsbehandeling. Wij mensen zijn zo klein en kwetsbaar. We kunnen onszelf niet beschermen tegen de grillen van het lot, die onze plannen grondig op z'n kop zetten en de vanzelfsprekendheden onderuit halen. Soms noemen we het kanker, soms aids, soms alqaeda, soms tsunami en zelfmedelijden over een beetje poep-in-de-broek mag geen naam hebben.
In de krant las ik dat geen van de dieren in het Yala natuurreservaat in Zuid Sri Lanka was gestorven. Uitsluitend mensenlijken dreven in de zee; geen olifanten- of luipaardlijken. Ze hadden de ramp waarschijnlijk aan voelen komen en waren naar hoger gelegen gedeelten gevlucht voor de golf het eiland bereikte.



Terug