Week 2005 02
Mijn moeder wil 's avonds niet meer via de achterdeur van haar verzorgingsflat naar binnen. Ze geeft er de voorkeur aan om te rijden naar de hoofdingang en vervolgens het hele gebouw door te lopen. Uiteindelijk komt ze dan bij haar woning die vijf meter bij die achterdeur vandaan is. Ze heeft me het verhaal verschillende keren verteld.
Mevrouw van Vliet - vijfentachtig is ze - kwam terug van het sinterklaasfeestje bij haar kleinkinderen en ging via de achterdeur naar binnen. Daar stonden drie Marokkaanse jongens klaar die haar handtas wilden. Ze had maar vijfentwintig euro bij zich, maar wilde aanvankelijk haar tas niet afgeven. De cadeautjes die ze die avond gekregen had zaten er namelijk in. "Ze trokken hem gewoon uit haar handen."
Dagen lang was mevrouw van Vliet van slag. Ze had hartkloppingen. En niet alleen zij was bang geworden. Alle bewoners voelden zich bedreigd. Een paar keer belde mijn moeder me op en vroeg: "Heb ik het je al verteld?" Waarschijnlijk wist ze best dat ze het aan mij verteld had, maar ze moest het vaak doen om het te verwerken.
Mijn rol bestaat dan ook uitsluitend uit luisteren. Wat moet je zeggen? Dat die jongens uit een cultuur komen waar ze het sinterklaasfeest niet kennen, maar dat ze toch ook een chocoladeletter willen? Dat ze moeten inburgeren en moeten leren hun schoen te zetten? Dat dan de kans ook groter is dat ze de M van Mohammed krijgen in plaats van de V van van Vliet? Wie weet er nog iets zinnigs te zeggen op alle uitdagingen waar we mee geconfronteerd worden? Mijn neiging overal een grap van te maken zodat het allemaal niet zo dramatisch meer is, werkt niet altijd.
Onder aan de pagina van mijn agenda stond deze week: "On t'accompagnera si tu trouves ta route" Eugène Guillevic. Als je schrijft denken mensen al snel dat je de weg gevonden hebt. Sinds Walvis spelen is verschenen krijg ik veel brieven van mannen met prostaatkanker. Ze bedanken me voor het boek. Het schijnt ze steun te geven. Misschien niet altijd volledig. Zo schrijft iemand me "Ik heb met veel genoegen grote gedeelten van het boek gelezen. Mijn echtgenote heeft zich ermee geamuseerd, zij heeft meer gevoel voor uw humor dan voor de mijne." Onlangs kreeg ik echter een boze brief van een mijnheer met prostaatkanker, die net als ik hormonale behandeling onderging. Als ik al zijn woorden in een pan doe en ze kook tot de stoom van de ergernis en het venijn eruit verdwenen zijn, hou ik de boodschap over dat ik onnozel ben omdat ik me niet bezig wil houden met het ergste. De man roept me ter verantwoording, want als ik te luchtig schrijf over kanker en therapie, dan relativeer ik het drama en de heroïek die zijn leven tegenwoordig inhoud geven.
Ik gun natuurlijk iedereen zijn eigen drama, zijn eigen verhaal. Uit onderzoek blijkt dat mensen een verhaal nodig hebben en altijd naar zingeving zoeken als er een vervelende verrassing bij de achterdeur staat. Zonder betekenis, zonder verhaal is het onaanvaardbaar. De maand december is een drukke tijd voor mensen die weten dat ze dood gaan, want juist dan mogen ze er ook nog over praten. Er is geen krant of weekblad die niet een plekje voor een gesprek met Jan Blokker of een andere kankerlijer heeft ingeruimd. In december maken we ons extra druk over wat de zin van alles eigenlijk is. Waarom moeten we lijden? En hoe dienen we het lijden te dragen?
Twee vriendelijke journalisten ondervroegen me voor een boek van het Koningin Wilhelmina Fonds over mensen met kanker. Ze waren gespecialiseerd in het onderwerp. Zo hadden ze jarenlang het tijdschrift 'Doodgewoon, tijdschrift over de dood' uitgegeven en geredigeerd. Ik kende het bestaan ervan niet, maar toen ik wat exemplaren doorbladerde ontdekte ik dat het een bloeiende sector is en geen hobby van wat obscure Draculaliefhebbers. Er staan interessante artikelen in, zoals bijvoorbeeld over een kunstenares die met de as van overledenen schildert, zodat uw heengaan eeuwigheidswaarde krijgt. Er blijken ook grafkunstenaars zijn die onder andere de aan alle kanten open grafkist hebben ontwikkeld. Anderen hebben in het kader van de afschaf van subsidies voor de kunst nieuwe mogelijkheden voor hun vaardigheden ontdekt en beschilderen op verzoek van de opdrachtgevers kisten met engeltjes, zonnebloemen of korenvelden, wat u maar wilt. Het schijnt wel dat de serieuze uitvaartvernieuwers zich zorgen begonnen te maken en de opportunisten die zo maar wat aan de dood wilden verdienen wilden scheiden van de echte baanbrekers. Er werd een ballotagecommissie ingesteld die selecteerde op uitvaartvernieuwing en betrokkenheid. Ik ontdekte zelfs dat er op dit gebied nog meer vakbladen in Nederland zijn: Uitvaart, Het Uitvaartswezen en De Begraafplaats. Ik wist niet dat de dood zo populair was.
De twee interviewers waren dus bijzonder geschoold in het onderwerp en zochten naar de puntjes op de i. Geconfronteerd met hun prangende vragen was er geen ontkomen aan en ik moest ook praten over zaken die ik voor zichzelf vind spreken. Fijntjes legden ze me een passage uit mijn boek voor. Aan Walvis spelen heb ik een epiloog toegevoegd, een extra weekboek dat nooit op mijn site heeft gestaan. In die epiloog beschrijf ik hoe ik met Marion in de tuin zit, die me verwijt dat ik niet altijd het achterste van mijn tong laat zien, dat ik wel degelijk ook bang ben geweest, maar dat ik daar nooit over schreef.
Wat wil men dat er dan gebeurt? Dat ik op mijn knieën val en roep "God help me. Ik ben zo bang en ik wil nog niet dood"?
Als ik mijn moeder naar huis breng, zegt ze me voor de zoveelste keer dat we de hoofdingang moeten nemen, maar ik vind de tweehonderd meter omrijden onzin. We nemen gewoon de achteringang. Ze kijkt me benauwd aan.
"Ik ga wel met je mee naar binnen," stel ik haar gerust, "en ik loop helemaal mee tot je in je huis bent."
"En als ze jou nou ook beroven?" vraagt ze.
"Mij?" vraag ik verbaasd. "Dat zullen ze weten."
Bij de achterdeur gekomen kijk ik eerst even om het hoekje en doe vanzelf wat ik ook altijd doe als Marion in de nacht iets denkt gehoord te hebben en ik om haar gerust te stellen even naar beneden ga om te controleren of er echt niemand binnen is. Ik roep overdreven luid: "Hé, wat doe jij daar? Sodemieter op. Ik wil je hier niet meer zien. Ben jij nou gek, de mensen de stuipen op het lijf te jagen."
Mijn moeder lacht.



Terug