Week 25 -2006
Bij de boekhandel sta ik met het boek van Francesco Colonna in mijn handen. Even een fragment lezen om te weten of ik het zal kopen.
"Mooie boeken hebben ze hier hč," hoor ik achter me zeggen.
Als ik me omdraai zie ik een man van ongeveer mijn leeftijd staan. Hij heeft een smalle snor, net boven zijn lip, en op zijn hoofd draagt hij een oranje petje. Hoewel ik hem nog nooit heb gezien, glimlach ik beleefd. Waarom heeft deze man van alle klanten in de grote winkel juist mij uitgekozen? Kan hij aan me zien dat ik zo verdomde beleefd ben dat ik zal luisteren? Zoals honden precies zien welke mensen bang voor ze zijn, ruikt hij van ver wie het niet over zijn hart kan verkrijgen geen aandacht te tonen.
"Ik heb een boek over de laffe moord op Fortuyn gekocht en iets over van Gogh," zegt de man. "Niet duur ook." Hij ruikt naar alcohol. "Weet u. Onze samenleving gaat naar de donder. We zijn niet geboren om kinderen te maken. Goed ik heb er twee, die ik nooit zie. Maar wat is nou de echte zin van het leven? Ik wed dat er later niet eens een hemel is. Als ik nu hier naar buiten stap en een hartaanval krijg, denk ik dat ze om me heen lopen en me gewoon dood laten gaan. Niemand let nog op een ander."
Waarom heb ik mezelf niet getraind in knikken en weglopen, staan mijn voeten als in beton gegoten en krijg ik die stupide lach niet van mijn gezicht?
De man is diep teleurgesteld in zijn kinderen, dat hij voorgelogen is over het bestaan van een paradijs en dat er geen mooie wereld is waar we naar elkaar luisteren en voor elkaar zorgen. Ik hoop maar dat het Nederlandse elftal zal winnen zodat zijn leven niet volledig uitzichtloos wordt. Door zijn petje begrijp ik dat hij zeker zal kijken. Ga ik dat ook doen? Ik weet niet of ik wel supporter wil zijn van het zelfde team.
Eén van mijn studenten vroeg me voor een artikeltje in een tijdschrift mijn topvijf van mooiste momenten van voetbalkampioenschappen te geven. Zijn er echt mensen die zich precies herinneren hoe een jongen van vierentwintig een paar jaar geleden tegen de bal trapte en hoe daarna het net opbolde? Ik kan me dat niet voorstellen. Alles wat ik nog weet is over de context en niet over passeerbewegingen.
Mijn eerste herinnering is aan een voetbalwedstrijd die het Nederlands elftal moet spelen in Wenen tegen Oostenrijk. Laten we dat moment op de vijfde plaats zetten. Als ons land wint mogen we mee doen aan de wereldkampioenschappen. De jongens op school praten er over en er heerst een licht opgewonden sfeer, want hoewel het spannend zal worden, zullen we zeker winnen. Thuis hebben we geen televisie, maar we gaan naar tante Greet, de vrouw van de man die vertegenwoordiger in behang is, en daar mag ik met de grote mannen naar de voetbalwedstrijd kijken. Die ochtend ontdek ik op eigen kracht de elementaire regels van de elektriciteit. Bij mijn vergeefse pogingen om het stekkertje van het leeslampje bij mijn bed te repareren stop ik uiteindelijk de draadjes zomaar zonder enige omhulling in het stopcontact. Een steekvlam, een raar gevoel en de elektriciteit valt uit. Mijn moeder was overstuur en voor straf mocht ik de voetbalwedstrijd niet zien. Dat was het ergste die middag, want dat Nederland verloor vond ik geen probleem. Maar buitengesloten te zijn was vreselijk. Alle jongens in mijn klas zagen die wedstrijd. Ik niet.
En die keer in Vietnam. Ik denk dat het 1990 was en ik moest naar een diner ergens in Hanoi. Veel taxi's waren er nog niet in dat jaar, dus namen we een riksja. Vanwege de wereldkampioenschappen bedong de man een extreem hoge prijs. Het regende hard en er werd een stuk plastic over ons heen gespannen waardoor Marion en ik niet meer goed konden zien waar we reden. De riksjarijder wilde erg graag de wedstrijd tussen Nederland en Duitsland zien. Om de paar honderd meter, als er een café was, stopte de man zijn riksja, rende naar binnen ons achter het plastic in driewieler latend, keek een minuut of vijf naar het voetbal, kwam terug, fietste of zijn leven er van af hing om even later weer te stoppen. Ik kon hem niet eens vragen wat de stand was, laat staan uitleggen dat we op tijd op de afspraak moesten zijn.
Schitterend was de wedstrijd van Nederland tegen Brazilië in 1994. Ik was in Niono in Mali, ergens in de brousse, zoals de Afrikanen dat noemen. Met wat mannen gingen we in een jeep door de Afrikaanse avond van de plaats waar de workshop gehouden werd naar een groot lemen huis met omheining, een fort in de Sahel. Ik moest 200 franc betalen en mocht de binnenplaats op waar een gigantische schotelantenne geplaatst was. Onder de pikzwarte hemel met tienduizenden sterren stonden vijf grote kleurentelevisies. Voor elk van de toestellen stonden ongeveer honderd stoelen en die waren allemaal bezet. Voor mij werd snel een stoel vooraan vrij gemaakt. Wat me opviel was dat geen enkele Afrikaan voor de Nederlandse spelers was. Ze juichten uitsluitend voor de mannen in het geel. Als een goddelijke Braziliaan viel joelden ze, want ze waren boos op die mannen uit het Noorden en identificeerden zich met de bewoners van de sloppenwijken van Sao Paolo en Rio de Janeiro, die net als zij kwamen uit wat toen de derde wereld heette.
In 1998 was ik in Genève op het internationale aids congres. Het hotel was in een dorp vrij ver buiten de stad. Nederland moest tegen Argentinië voetballen. Op mijn kamer had ik een televisietoestel, maar met andere bezoekers van het congres wilden we samen in de bar van het hotel naar het spektakel kijken. Het was een gemengd Europees gezelschap. Halverwege de tweede helft kwam er een Zwitsers echtpaar binnen. Later begreep ik dat ze uit de buurt kwamen en af en toe in die bar iets dronken. De dame vroeg aan de man achter de bar of de televisie uitgezet kon worden, want ze had last van de opgewonden commentaarstem. Tot onze verbijstering gehoorzaamde de barman. Ik zag de keurige artsen die het congres bezochten witheet van woede worden. Ze kwamen met allerlei argumenten om de Zwitsers te overtuigen dat dit heel ongepast was, maar het was vergeefs. We moesten allemaal op onze eigen kamer verder kijken maar de wedstrijd was niet leuk meer, hoewel Nederland won.
En in 1988 was ik in Amsterdam. Dat beroemde doelpunt heb ik natuurlijk vaak op televisie gezien. Daarom kan ik het me voor de geest halen, maar de echte emotie kwam later toen ik op straat liep en daar zo veel Marokkanen zag, die met oranje vlaggen in hun handen zwaaiden en juichten. Ik huilde. Niet omdat we gewonnen hadden, maar omdat ik zag dat het helemaal in orde zou komen met ons land. Dat moment komt voor mij op de eerste plaats. Maar wat hebben we de kansen die er toen waren op een vreselijke manier weggegooid.
Een troostprijs is er voor de finale van 1974 in München. Het was zo rustig op straat. Er reed geen enkele auto en ik kreeg het gevoel dat de wereld een paradijs kan zijn.
Als ik nadenk over mijn mooiste voetbalmomenten, besef ik dat die man met zijn plastic tasje met daarin boeken over Fortuyn en van Gogh, en ik die dat boek van Colonna gekocht heb, andere voetbalteams aanmoedigen, terwijl we naar het zelfde elftal in de zelfde wedstrijd kijken.



Terug