| Week 26 -2006 Het leven moet leuk zijn, anders verkoopt het niet. Vandaar dat boodschappen verpakt worden als advertenties en dat we erbij betrokken worden via een spelletje of een quiz. In de wachtkamer kijk ik een beetje rond, want ik heb mijn leesbril vergeten en kan dus niet veel anders doen. Er hangt een scherm dat voortdurend voorlichting over van alles geeft, zonder dat me duidelijk wordt waarover het gaat en waarom ik ervan op de hoogte moet zijn. "Als je glimlacht, hoeveel spieren gebruik je dan?" vraagt een kleuter op het scherm. Ik neem althans aan dat het grijnzende kind dat afgebeeld is ook verantwoordelijk is voor de tekst. Het volgende beeld geeft me het antwoord. Vijftien! Voor wie is deze voorlichting bedoeld? Kleuters kunnen het niet eens lezen. En als ze het al konden, zouden ze daarin dan geïnteresseerd zijn? Of moet ik er vrolijk door worden? Mijn uroloog is immers specialist op het gebied van prostaatkanker en lachen is gezond. Het zorgt voor een goede hormoonhuishouding en stabiliseert vervelende processen in het lichaam. Het stond vanmorgen ook al in de krant: vrouwen die in vitro fertilisatie ondergaan en veel lachen worden sneller zwanger dan vrouwen die altijd chagrijnig kijken. Misschien klopt het volksgeloof dat kinderen hun ouders uitkiezen toch. En als ik veel lach schrompelt het gezwel in mijn prostaat misschien weg. Als het getal vijftien op het scherm voorspellende waarde heeft is het niet goed voor me en heb ik te vroeg gelachen. Mijn PSA mag niet verdubbelen, want dan gaat het proces wel erg snel. De vorige keer was ik bij 5,6 gebleven. Wat wordt het nu? Tot nu toe ben ik er goed in geslaagd niet teveel aan dat soort dingen te denken. Verdorie, had ik mijn leesbril maar bij me gestoken zodat ik kon verdwijnen in één van mijn boeken. Bij twintig ligt in mijn geval ongeveer de grens. Dan moet ik wel toegeven dat er ergens in mijn lijf uitzaaiingen zitten. Het betekent ook dat je dan niet goed meer aan de behandeling ontkomt. Mijn uroloog weet ondertussen hoe hij met me om moet gaan en kan de boodschap heel aardig verpakken. "Dan gaan we ook niet onmiddellijk behandelen," heeft hij tijdens mijn vorige controlebezoek gezegd. "Eerst een botscan maken om te zien of het wel echt nodig is. We gaan natuurlijk geen nummers bestrijden." Die behandeling hoeft voor mij niet zo erg. Door mijn hormonen uit te schakelen verander ik in een oude man. Als je zeventig bent is dat niet zo erg, maar op je achtenvijftigste hoeft dat nog niet. Geef me nog wat tijd zodat ik kan blijven geloven in mezelf als wilde seksmachine, onverzadigbaar en altijd belust elke mogelijkheid die zich aandient aan te grijpen. Laat me nog even koortsachtig zoeken naar rare feitjes over liefde en verlangen die zo waanzinnig zijn dat ze opgeschreven moeten worden en laat me alsjeblieft niet elke interesse in de geilheid kwijt raken. Vorige week bijvoorbeeld kwam ik een onderzoek tegen waaruit blijkt dat mensen met migraine meer seksuele lust kennen. Migraineurs zijn geiler dan mensen met alleen maar gewone spanningshoofdpijn. Je kunt op een verjaardagsfeestje niet meer over je migraine beginnen want ze zullen je al snel vreemd aankijken. Wat wil je er eigenlijk mee vertellen? Al in de zeventiende eeuw werd er verband gelegd tussen migraine en seks door dokter James Couch. Hij nam de seksuele honger van zijn migrainepatiënten waar en ontdekte ook dat een stevig orgasme een uitstekende behandeling voor hen betekende. Goed klaar komen en de hoofdpijn was verdwenen. Alleen het op gang komen als je met schele hoofdpijn en de gordijnen dicht op bed ligt is niet altijd aantrekkelijk. Zijn behandeling werd heel toepasselijk de 'couch treatment' genoemd. Naar zulke berichten worden mijn ogen automatisch getrokken en ik kan er lang over nadenken, zoals menige filosoof veel tijd nodig heeft om over de zin van het leven te reflecteren. Maar door de rücksichtsloze onderdrukking van de hormonen, zal het bericht me in de toekomst waarschijnlijk ontgaan en ben ik spoedig van ellende aangewezen op de zin van het bestaan. Hij ziet dat ik afgevallen ben. Gek, sinds ik besloot dat ik de laatste mogelijkheid in mijn leven aan moet grijpen om er wat beter uit te zien en minder ben gaan eten, maar meer ben gaan hardlopen, ben ik tien kilo afgevallen. Niemand ziet het. Wat dat betreft had ik me de moeite kunnen besparen. Mijn beide artsen hebben het echter onmiddellijk door. Ik concludeer daaruit dat ze goed in hun werk zijn. "Met opzet?" vraagt mijn uroloog. Als ik knik is hij gerustgesteld. Menigeen met mijn diagnose wordt zo maar ineens mager en daar hoef je dan dan niet eens je best voor te doen. "Kun je mij vertellen hoe je dat doet," zegt hij. "Ik probeer het telkens weer, maar mij lukt het niet." Na wat grapjes gemaakt te hebben, komen we ter zake. "Hij is natuurlijk gestegen," zegt hij. "Veel?" wil ik weten. Mijn uroloog klikt de computer aan en zoekt naar mijn gegevens. Er wordt een grafiek zichtbaar. Een onmiskenbaar stijgende lijn lijkt over het scherm te zijn gespannen: het koord waarop de danser zich voortbeweegt. "Acht," zegt hij. Als ik Marion die in Lissabon is voor een korte verhalen festival is opbel, vertel ik haar dat we waarschijnlijk nog een half jaar erbij hebben gekregen, als we geluk hebben misschien zelfs negen maanden. Terug |