| Week 28 -2006 Het hing altijd al in de lucht en dus had ik weinig reden om verbaasd te zijn, maar toch verraste het me toen het uiteindelijk gebeurde. Het contract met de ziektekostenverzekeraar die de inhoud van mijn medicijnenarchief wilde gebruiken voor een website kwam zes jaar geleden al bijzonder moeizaam tot stand. Er werd scherp onderhandeld en het duurde maanden. Waar ik voor pleitte was onmogelijk, maar wat zij in het hoofd hadden kwam erin. Het moest van hen vooral een langdurig verbintenis worden. Tien jaar. En ik moest me exclusief binden. Met andere verzekeraars mocht ik nog geen glaasje wijn drinken. Als tegenprestatie wilde ik volledige onafhankelijkheid en geen enkele invloed op wat ik zou schrijven. Dat vonden ze prachtig en juichten ze toe. Zo moest het gebeuren. Af en toe kreeg ik nog een lesje in het juiste gebruik van de contracttaal. "Weet u wat het verschil is tussen 'na overleg' en 'in overleg'?" vroeg de advocaat van de verzekeraar me. Daar had ik geen flauw idee van, maar toen het me uitgelegd werd vond ik het wel heel logisch. "In het geval van de formulering 'na overleg' hoeft u alleen maar even een briefje te schrijven en u heeft overlegd. Daarna kunt u uw gang gaan," legde de man me uit. "Maar als we het over 'in overleg' hebben kunt u uw eigen gang niet gaan zolang we nog aan het overleggen zijn en dat kan soms lang duren. Daarom tekenen wij nooit contracten waarin staat 'in overleg'." Al na een jaar begreep ik dat dergelijke formuleringen niet opgenomen waren om mij te beschermen, maar opdat de verzekeraar kon doen wat hij wilde. Al na één jaar zei de verzekeraar namelijk de overeenkomst op met als argument dat hij niet wist of er dat jaar wel geld voor was. Het bleek dat ze er zelf niet veel aan uit hoefden te geven. Daarvoor had de verzekeraar namelijk een innovatiefonds benaderd en elk jaar moesten ze maar weer zien of ze uit dat fonds iets ontvingen. Die tien jaar verplichting was dus vooral voor mij bedoeld. Ik mocht al die jaren niets anders doen en zij verlengden eind december het contract weer met een jaar. Tegelijkertijd gebeurde er iets anders. De ziekenfondsen van ooit moesten op de markt mee gaan doen en kregen van de voorstanders van de neoliberale economische gedachte die tegenwoordig overal de lakens uitdelen te horen dat ze competitief behoorden te zijn. De mensen met visie op welzijn en gezondheid uit de ziekenfondstijd verdwenen geleidelijk en ik kreeg met steeds nieuwere en jongere managers te maken, die spraken over het 'product gezondheid'. Aardige jongens, stuk voor stuk. Als ze eens per jaar bij me waren om te overleggen zag ik hun grote familieauto's met achterin de kinderzitjes. Voor ze naar mij waren gereden hadden ze de kinderen waarschijnlijk nog even naar school gebracht. Lief voor hun vrouw, die mischien ook wel ergens als manager werkte en bijvoorbeeld het 'product zachte dood' moest verkopen. Ik informeerde naar hun gezinssituatie en zij luisterden beleefd naar mijn gloedvolle betoog over de mondige patiënt. Alleen hadden ze geen flauw idee waarom er zonodig een site met onafhankelijke informatie moest zijn. Het leverde immers geen extra polissen op. En dan de klachten van de producenten van geneesmiddelen. Die mensen kwamen ze natuurlijk zo hier en daar nog wel eens tegen. Ik denk zelfs dat ze die vaker zagen dan mij. Eén van die producenten had een collectieve ziekenkostenverekering bij de verzekeraar lopen. Hij wist niet of ze die wel wilden verlengen. In hun naïviteit stuurden de managers zelfs regelrecht de mails van de managing director van het farmaceutische bedrijf aan me door. "Beste John, Wat maken jullie me nou met die ongenuanceerde stukken van Wolffers?....." Snel leerde ik wat zij onder onafhankelijkheid verstonden. Ik mocht schrijven wat ik wilde, maar John gooide de pagina's die de producent onwelgevallig waren van de site. Ik sputterde tegen, maar het hielp niet veel. Dit najaar hadden de managers het ineens over restyling en reorganisatie, over het repositioneren van de site binnen het krachtenveld van de verschillende merken. Ze kwamen overleggen hoe we nu verder moesten samenwerken. Ik bedacht van alles omdat ik het ze niet moeilijk wilde maken. Uiteindelijk had ik vijf jaar lang goed met ze gewerkt. Waarom zou ik dan niet meedoen aan het repositioneren? Toen ik ooit op eigen kracht met de site was begonnen had ik het mondig maken van de gebruikers van de zorg als uitgangspunt en daarbij behoorden tientallen ideeën voor acties en campagnes, waar we echter nooit aan toe waren gekomen. De managers vonden het heel boeiend. Ik legde uit dat het empowerment heet en dat het goed past bij wat al die afgestudeerden van de hogere handelsschool 'het marktdenken' noemen. Ze vonden dat ik maar een voorstel moest schrijven. Daar werkte ik twee weken hard en enthousiast aan en ik kon er alles in kwijt wat ik ooit bedacht had. Op 31 december werd ik opgebeld dat ze op 1 januari toch met de site zouden stoppen en dat het contract was afgelopen. Omdat ze nog niet wisten wat ze in de toekomst met de site wilden doen, verlengden ze het contract met drie maanden. Op 31 maart deden ze precies hetzelfde. Op 28 juni was het echter definitief voorbij. De medicijnenwijzer ging cyberspace uit. "Maar ik moet verder," zei ik. "Mensen rekenen op me. Er waren soms 400.000 bezoekers per maand. Voor jullie betekent het misschien niet veel, maar voor mij is het mijn levenswerk." De aardige manager legde me uit dat alles helemaal veilig bij een internetbedrijf stond en dat ik hen maar moest bellen om te vertellen wat ik ermee wilde, want de verzekeraar had er niets meer mee te maken. Toen ik het bedrijf belde, zei de man: "Ja, die database mag dan van jou zijn, maar alle software is van ons. Ik zal je volgende week wel een zakelijk voorstel doen." Ik leer die nieuwe economie van tegenwoordig heel snel bij. Ik ben op 1 juli even gaan kijken naar wat er nu op de site van de verzekeraar staat. Tot mijn grote verbazing zie ik daar een nieuwe medicijnensite. Eentje die wel erg geliefd bij de makers van medicijnen moet zijn: ingewikkeld, geen informatie waar je als gebruiker iets aan hebt, onmondig makend en discussie vermijdend. Het deed me een beetje pijn. Het gevoel is vergelijkbaar met dat van een mooie vrouw met klasse als ze door haar man aan de kant gezet wordt voor een jong ding met siliconenborsten en zonder enige kwaliteit. Van de verzekeraar die zo goed is in het ontzorgen ontving ik ook nog een brief waarin ze benadrukten dat het empowermentvoorstel dat ik geschreven had precies was wat hen voor ogen stond, maar ze vinden dat ze in principe zulke projecten in eigen huis moeten uitvoeren. Door wie dan? Toch niet door die lieve managers. En doen ze dat op basis voor de blauwdruk die ik gratis voor ze heb geschreven? Ik weet niet of het een troost is dat ik in het telefoongesprek dat ik met de manager voerde hoorde dat hij in het kader van de reorganisatie ook ontslagen is en dat zijn telefoontje met mij één van de laatste dingen was die hij voor de verzekeraar deed. Ik dacht aan zijn kinderen en de hypotheek op zijn huis. Onbetaalbaar zijn die tegenwoordig voor jonge mensen. "Wat erg," zei ik. "Ach," zei hij. "Ik vind wel weer een andere baan." Terug |