| Week 34 -2006 De wereld aids conferentie is één groot circus, waar 26.500 mensen uit alle delen van de wereld proberen de zelfde taal te spreken, maar elkaar maar af en toe begrijpen. Ieder heeft een eigen belang of komt uit een andere cultuur. We spreken de zelfde woorden: hiv, access to treatment, stigmatization, ja de meeste woorden komen uit het Engels, maar ik vraag me af hoeveel mensen in de straat van engels sprekende landen ze begrijpen. Duizenden kilo's drukwerk liggen overal verspreid om iedereen op de hoogte te brengen van wat we weten. Niemand kan het echter nog dragen en we laten ze liggen. Bij de roltrappen staan mensen die het nooit opgeven met folders, oproepen, mededelingen, die we braaf aannemen, maar als we de hoek om zijn in de overvolle afvalbakken gooien. Er kan niet nog meer bij. Sorry, mijn hoofd zit vol. Dit jaar komt iedereen bijeen in Toronto, maar het verhaal van de epidemie waarin aanvankelijk niemand wilde geloven, heeft al een lange weg afgelegd. Het circus trekt verder langs een reeks wereldsteden: Amsterdam, Berlijn, Yokohama, Vancouver, Geneve, Durban, Barcelona, Bangkok en het gaat maar door, want over twee jaar is Mexico aan de beurt. We trekken mee met de circusartiesten die één keer in de twee jaar hun praatje houden, reageren beleefd opgetogen op het nieuws van de vorderingen, en laten ons niet van onze koers afbrengen. De wereld moet gered worden van een virus dat de mensen die niets hebben, die geen artsen of medicijnen kunnen betalen, die nergens meetellen, die niet op de hoogte gehouden worden en die niets vermoeden, het hardst treft. Het komt goed uit dat we Toronto aandoen met onze show, want er lijken in deze stad mensen met zeker zoveel verschillende achtergronden te leven als er deelnemers aan de conferentie zijn. Iedereen moet zich hier wel thuis voelen. Alle kleuren, talen, accenten, wijzen van kleden kom je hier tegen. Mensen van alle soorten lopen door de straten, lunchen in de parken, koesteren zich in de zon. Is hier het multiculturele experiment geslaagd? De mensen die ooit uit Europa gekomen zijn vinden het geloof ik niet allemaal even geweldig. Ze mopperen dat er de afgelopen jaren zoveel geld is gestopt in de nieuwkomers dat er nu niets meer over is om het terrorisme te bestrijden en de witte daklozen van de straat te houden. De Indiërs, Chinezen, Jamaicanen, Filippino's en Pakistani echter lopen trots door de straten met hun bekers koffie die ze net bij Second Cup of Starbuck's hebben gekocht, op weg naar hun werk. Maar de wereld is veranderd zonder dat we het door hebben gehad. Bij elke uitdaging van de mensen die zich bedreigd voelen worden de anderen die zich altijd veilig waanden angstiger. Ik zie het op tv en in de kranten. Dagen lang wordt het verhaal over het echtpaar dat explosieven in de fles met babyvoeding van hun kind zou hebben verborgen om daarmee een vliegtuig van British Airways op te blazen, via de televisie en kranten gebracht. Ontaarde moslims! Niemand lijkt te willen nadenken of het niet om een broodje aap gaat, een eigentijdse mythe over goed en kwaad en hoe dat op eenvoudige wijze verbeeld wordt, zodat tenminste iedereen het begrijpt. Vooronderstellingen die nooit meer uit de hoofden van bange mensen zullen verdwijnen omdat ze als vanzelfsprekend hun plekje hebben gevonden in de hersenen die daarvoor klaar zijn gemaakt door de nu al vijf jaar durende Amerikaans-Arabische oorlog. Op het plein voor het stadhuis in Toronto is 's avonds een grote menigte mensen in sari's bijeengekomen. Hebben ze iets met aids en zijn ze daarom bij elkaar? Als we dichterbij komen zien we een Pakistaanse zanger op het podium staan die weemoedig klinkende liederen uit zijn land zingt. Een man die naast ons staat overhandigt de baby die hij draagt aan zijn vrouw met kort haar en zonder hoofddoek en pakt zijn camera. Hij wil alles filmen, want zo'n gelegenheid krijgt hij nooit meer. De zanger vertelt hij is heel beroemd en treedt nooit in Canada op. Achter het podium hangt een banier waarop met groene letters staat dat dit de viering van de Pakistaanse onafhankelijkheidsviering is. Uit bordpapier is Jinnah de vader van de Pakistaanse staat gesneden en hij kijkt geduldig toe, zijn handen nederig gevouwen. Een man in een keurig pak, waarin hij waarschijnlijk vandaag gewoon naar zijn werk op de bank is geweest, springt op het podium, pakt een grote Pakistaanse vlag en begint te dansen. Jongens in het publiek in T-shirts van de plaatselijke ijshockeyclub hijsen vrienden op hun schouders die mee dansen en de ranke bewegingen met de polsen maken die bij de dansen uit hun land horen. Dan is het moment gekomen van het laatste lied. De zanger deelt in vet accent mee dat hij het lied zingt voor alle Pakistani in de hele wereld die zoveel van hun land houden dat ze bereid zijn ervoor te sterven. Hij realiseert zich dat hij misschien iets te ver gaat. "En voor de mensen die niet uit Pakistan komen is Pakistan het land van broederschap, vrede en alles wat goed is." Het publiek zingt uit volle borst mee, haalt bij de kraam van Tikka Lahore nog wat tandoori kip en gaat gelukkig naar huis. Ze zijn blij met hun land van ooit en in het land van nu. Maar hoe lang nog? Op het congres spreek ik met de Pakistani die in ons project meewerken. Bij elke vliegtuigreis worden ze eruit gehaald, helemaal van top tot teen onderzocht en duizend keer gevraagd waarom ze naar een ander land willen. Niemand vertrouwt ze. Eén van hen heeft na een jaar studie in mensenrechten en gezondheid in Canada besloten dat hij het liefst in Toronto blijft. Hij heeft een Pakistaans meisje ontmoet dat er al vanaf haar jeugd woont en wil nu een verblijfsvergunning aanvragen. Hoe groot is de kans dat hij die krijgt? Hoeveel plaatsen zijn er nog in de wereld waar men ongehinderd kan doen dat een multiculturele samenleving, begrip en verdraagzaamheid mogelijk zijn. Zo lang we over aids praten kunnen we misschien geloven dat we samen aan het zelfde - een betere wereld - werken, maar ik moet er niet aan denken dat we het probleem ooit hebben opgelost, want dan wordt duidelijk dat we misschien niets meer delen. Terug |