| Week 38 -2006 Haar leven lang heeft mijn schoonmoeder gestreden tegen urinedruppels op de wc-bril en natte niet goed definieerbare vlekken op de vloer van het toilet. Aan de wand hangen tegeltjes met wijsheden zoals: "Heren doe de bril omhoog. Dames zitten ook graag droog." De wc bij mijn schoonouders is een kleine tempel voor haar bijna religieuze ijver de smerigheid uit de wereld de houden. Daarbij is mijn schoonmoeder gezegend met een scherp reukorgaan. Ze heeft altijd onmiddellijk door wat je gedaan hebt en omdat ze een tong heeft die sneller werkt dan haar gevoel voor tact, voorziet ze haar waarnemingen vaak van commentaar. Zo kan mijn schoonvader er op rekenen dat hem ruim voor hij het toilet verlaten heeft al toegeroepen wordt dat hij het wc-raampje open moet zetten om te luchten. Kinderen, schoonkinderen en kleinkinderen kunnen dat aandoenlijk vinden en er grappen over maken, maar mijn schoonvader heeft daar al meer dan vijfenvijftig jaar mee te maken en sinds het slechter gaat met zijn gezondheid kan hij nooit meer ontsnappen. Ik zou zelf af en toe op de fiets stappen, het bos in rijden en ergens tegen een grote boom plassen omdat daar niemand je in de gaten houdt en op de hoogte brengt van je verkeerde plastechniek. Of het zou dan een verdwaalde agent moeten zijn met de opdracht wat wildplassers te arresteren. Dat mijn schoonvader het nu juist ook aan zijn prostaat moest krijgen is dan ook wel erg wrang. Voor hij in het ziekenhuis werd opgenomen en hij een nacht op de bank beneden door moest brengen, zag ik dat er een emmer naast zijn bed geplaatst was. Daar mocht hij in plassen en mijn schoonmoeder is dan zo lief die de volgende ochtend te legen, grondig schoon te maken en terug te plaatsen. Maar de emmer staat dan wel op een opengevouwen krant, zodat er geen druppel ergens anders kan belanden. Ik houd het erop dat het een overblijfsel is van de tropen en stamt uit een tijd dat er geen ijskasten aanwezig waren. Alles was aan bederf onderhevig. Schimmel en dood konden zo maar toeslaan als je niet alles heel schoon hield en vuil van rein wist te scheiden. Volgens antropologen leidt dat tot enorme preoccupatie met poep en pies. Dat klopt ook wel, want mijn schoonmoeder spreekt zonder gêne over spijsvertering en stoelgang met wie het maar horen wil. Van de week tijdens het bezoekuur in het ziekenhuis was ze enige tijd weg en toen ze terugkeerde maakten we een grapje: "We dachten dat je een wandelingetje aan het maken was." Maar nee, dat was niet het geval geweest en luid en duidelijk zodat ook de andere patiënten en hun bezoek op het zaaltje het goed konden horen, zei ze ernstig: "Die w.c.'s hier in het ziekenhuis zijn veel te hoog gemaakt, ik kan als ik zit met mijn voeten niet bij de grond en dan kan ik geen kracht zetten met persen. Ze hebben er geen water en om alles goed schoon te maken heb je zo vreselijk veel papier nodig dat het wel even duurt." Ik had even het gevoel dat er iets van verwijt in doorklonk en dat ze aan alle Hollanders in de buurt wilde laten weten hoe smerig ze hen eigenlijk vond omdat ze niet net als Indischen de billen met water schoonmaken na een grote boodschap. Het maakte me wel duidelijk dat het een gemis is in ziekenhuizen en openbare gelegenheden. Een kraantje is zo gemaakt in publieke toiletten en met zoveel inwoners uit warme landen waar men papier maar vreemd vindt, zou het van een goed integratiebeleid getuigen als onze openbare wc's ook aantrekkelijk gemaakt werden voor anderen. Hoe dan ook, de situatie bij mijn schoonouders thuis is duidelijk. De kraan lekt bij mijn schoonvader door de prostaatkanker. Omdat hij dat voordat de diagnose gesteld werd ook al had, moet hij die plasproblemen jaren lang in stilte hebben doorstaan. Tegelijkertijd strijdt mijn schoonmoeder tegen de urinevervuiling. En een strijder is ze. De medewerkers van de thuiszorg hebben haar onderling al de bijnaam 'de kleine krijger' gegeven, want vol heilige verontwaardiging en met oprechte naïviteit komt ze op voor alles wat haar oneerlijk lijkt. Mijn schoonvader is een man van weinig woorden, heel weinig woorden. Toen de uroloog hem een paar dagen geleden zei dat hij kanker had en uitzaaiingen in rug en ribben, zei hij niets. De arts vroeg: "Heeft u nog vragen." Mijn schoonvader schudde alleen maar zijn hoofd. "Wat vindt u ervan?" vroeg de uroloog. "Nou," zei mijn schoonvader. "U bent arts en heeft ervoor gestudeerd. Dus dan zal het wel zo zijn." Meer woorden wilde hij er niet aan vuil maken. Over plassen praat hij daarom ook nooit. Vanaf de dag dat ik wist dat ikzelf prostaatkanker had heb ik me afgevraagd of de ene keer dat mijn schoonvader me een ongevraagd advies gaf niet een rol kan hebben gespeeld bij het ontstaan van het gezwel bij mij. "Ief," zei hij. "Bij uitdruppelen moet je altijd van onder, bij je ballen, goed van achter naar voor masseren om het er allemaal uit te krijgen." Natuurlijk zei ik niets terug, want het kwam uit de lucht vallen. En dan van een man die nooit iets onnodigs zegt. Misschien was het omdat mijn schoonmoeder eens tegen hem gezegd had dat ik een ongeduldig karakter heb en te snel de boel weer in het foedraal stop, waarna zij gevallen druppels schoon moet maken en wilde hij haar helpen. Of had hij door mij ten onrechte de schuld gekregen en wilde hij gezeur in de toekomst voorkomen? Misschien had hij dat truckje zelf ontdekt en was hij zo trots op zijn vinding dat hij het in een opwelling van genegenheid aan me vertelde. In elk geval ben ik toen begonnen het advies op te volgen, maar sinds ik de nieuwvorming in mijn onderlijf heb durf ik het niet meer. Ben je namelijk niet precies bezig die prostaat te masseren en alles wat erin zit te verplaatsen? Ook de rotcellen die in het lichaam gaan zwerven op zoek naar een andere plaats. Is het theoretisch mogelijk dat hij en ik op die zelfde manier de kanker door ons lijf hebben gestuurd? Wie kan het zeggen, want het is zeker geen zaak waar artsen onderzoek naar zullen doen, en als kennis ontbreekt vullen we ons onbegrip aan met magische gedachten en fantasie. Terug |