Week 39 -2006
In een Engelse krant in het vliegtuig op weg naar Bangkok lees ik dat Japanse onderzoekers gevonden hebben dat mannen die onregelmatige diensten draaien een grotere kans hebben om prostaatkanker te krijgen. Het komt door de verstoring van hun dagnachtritme en een tekort aan melatonine dat daardoor optreedt. In plaats daarvan gaat het lichaam meer testosteron aanmaken en dat is het laatste wat je nodig hebt indien je aanleg hebt om prostaatkanker te krijgen. Als dat zo is, dan zijn de vele transcontinentale reizen en de daarbij behorende jetlag ook levensgevaarlijk voor mannen zoals ik, die hopen dat hun gezwel een beetje onder controle blijft en niet weer op hol slaat. Dat kan ik dus beter niet meer doen. Maar het is te laat, ik kan niet meer uitstappen.
Er zijn nog veel meer redenen waarom ik best thuis had willen blijven. Ik wil op Helena, mijn kleindochter passen en haar woordjes leren zeggen. Ik wil gewoon even in mijn tuin zitten en weer eens in één ruk een boek uitlezen. Ik wil met Marion bladeren harken en wandelingen maken, terwijl we over grote toekomstplannen praten. En elke dag wil ik even bij mijn schoonouders langs omdat ze hoe oud ze ook al zijn, ze niet zo snel aan de om de hoek kijkende dood kunnen wennen. De wens te leven valt niet te onderdrukken en het liefst maakt mijn schoonmoeder al weer plannen, waarbij mijn schoonvader mee zal moeten ondanks zijn uitgezaaide prostaatkanker. Het zou me niets verbazen als ze zelfs nog steeds spaart om nog een keertje naar Indonesië te reizen. Je dromen opgeven betekent misschien ook wel dat je iets anders accepteert. Voorbij. Voorbij. Maar het moeilijke woord echt uitspreken is nog altijd onmogelijk. Het hard op zeggen is de mogelijkheid toelaten.
Als we ze bezoeken hebben we hun achterkleindochter meegenomen. Mijn schoonvader wil dat Helena bij hem op bed komt zitten. Hij maakt ruimte, waarbij zijn gezicht vertrekt van de pijn als hij zijn benen optrekt. Hij maakt oogcontact met haar en speelt een spelletje. Alleen kan hij niet op haar naam komen en noemt haar daarom telkens Kaja. Dat doet hij overigens bij alle kleinkinderen als we foto's bekijken. Als je hun namen noemt weet hij precies wie het zijn, maar als hij er zelf op moet komen is Kaja in zijn taalgebruik de soortnaam voor kleinkinderen en achterkleinkinderen. Kaja was nu eenmaal de eerste en zijn woordgebruik wordt steeds economischer. Meer zeggen met minder woorden.
Mijn kleindochter probeert woordjes te maken, maar we moeten maar raden wat ze precies bedoelt. Waarschijnlijk staat nana voor oma en als ze met haar wijsvinger wijst en daa zegt bedoelt ze eigenlijk 'alles'. Het is een wonder dat ze binnenkort steeds beter en preciezer woorden kan gebruiken Zodat ze uiteindelijk misschien wel schrijver wordt omdat ze het zo goed kan en zo doeltreffend de taal gebruikt dat iedereen aan haar lippen hangt en haar wil volgen. Wat voor verhaal ze ons ook wil vertellen. Marion en ik zijn nu al verslaafd aan Helena en proberen alles wat ze doet, met haar mimiek laat zien en elke klank, van betekenis te voorzien.
Vlak voor ik naar het vliegveld vertrek zegt mijn schoonvader toch het woord dat hem zo zwaar valt. We bespreken onze pogingen om een gelijkvloerse woning voor mijn schoonouders te vinden. Het is op zich al een hele studie eer je begrepen hebt wat alle ambtelijke termen betekenen en welke route je moet gaan om je doel te bereiken. Ineens zegt hij heel helder: "Ik wil hier niet weg." Er valt een diepe stilte. Marion en ik proberen nog wat voordelen te schetsen van een woning die beter aangepast is aan zijn verzorging, maar hij zegt een paar keer 'nee' en uiteindelijk volgt het woord. "Ik wil in mijn huis blijven tot…" en dan zwijgt hij om moed te verzamelen en zegt "de dood." Natuurlijk mag dat lieve schoonvader. Natuurlijk. We zetten wel een lift op die smalle trap in je huis. We maken overal beugels waaraan je je vast kunt houden als je loopt.
Dat speelt door mijn hoofd als ik het vliegtuig overweeg dat ik wel uit zou willen stappen, maar gelukkig niet weet hoe de deur van het toestel open moet.
In Bangkok is het rustig op het vliegveld. Ook op de weg naar het centrum is bijna geen verkeer. De stad is berucht om zijn files en opstoppingen. Snel rijden we naar het hotel in Sukhumvit en hoeven zelfs de expresweg niet te gebruiken. Een wonder. Wel zie ik veel militairen op straat. Het doet me denken aan 1991, toen ik ook in de stad was voor een workshop en Marion me belde om te informeren of alles goed met me was. Ik begreep haar niet, maar ze had op CNN gezien dat er een staatsgreep was geweest in Thailand. Ik heb me toen buiten het hotel gewaagd en wat ik nu zie is net een déja vu.
"Has the army taken over power?" informeer ik bij mijn taxichauffeur.
Hij lacht hartelijk alsof ik hem een goede grap heb verteld. "Yes."
In het hotel aangekomen vraag ik onmiddellijk aan de mensen bij de receptie wat er gebeurd is. "O no problem. Just change of government." Dat is wel een heel Thaise invulling van het woord staatsgreep. Ik ga de straat op om ergens een krant te kopen. Voorop de Bangkok Post staat het: "Coup d'Etat". Ik heb me nooit gerealiseerd dat men in het Engels deze prachtige Franse term nog gebruikt.
Als ik contact heb gehad met de locale organisatie die de workshop die ik moet leiden organiseert, weet ik ook dat die workshop helemaal niet doorgaat. Ze konden alleen mij niet meer bereiken om me te waarschuwen, want op het moment dat ik mijn huis verliet waren de militairen nog niet met hun tanks de straten opgereden. Alle kantoren zijn op last van het leger gesloten om mensen thuis te houden en samenscholingen zijn verboden. De KLM kan ik daarom niet bereiken en ik moet naar Amsterdam bellen om mijn ticket te veranderen zodat ik onmiddellijk terug kan vliegen. Zou dat minder schade geven aan mijn prostaat, zo onmiddellijk weer terug naar mijn eigen veilige tijdszone met voldoende melatonine en geen schommelingen in je testosteronproductie?
In de taxi naar het vliegveld vraagt de chauffeur waar ik naartoe ga. Ik geef braaf antwoord. Wat heeft hij aan die informatie? Als ik uit de taxi stap, zegt hij "You go now Amsela?" Ik heb werkelijk geen flauw idee wat de man aan me probeert te zeggen. Hij spreekt een voor mij volkomen onbegrijpelijke taal. Een taal die ik al meer dan vijfentwintig jaar een beetje probeer te leren, maar nooit ben ik verder gekomen dan 'sawadeekop' en 'kopkumkop'. Al die verschillende klanken in het Thai maken me gek en ik kan de letters ook nog eens niet lezen. Hun woorden zeggen me niets.
Later als ik op het vliegveld in de lounge de internationale kranten van die dag lees is het ineens duidelijk. De man probeerde Amsterdam te zeggen.



Terug