Week 41 -2006
In mijn leven heb ik veel geschreven. Soms probeer ik uit te rekenen hoeveel kilometer het inktspoor is dat ik in deze wereld achterlaat. Het moet wel een paar keer de wereld omvatten. Woorden, woorden, woorden. Van alles heb ik op papier gezet. Van gedichten die ik aan niemand laat lezen en dagboekaantekeningen alleen voor mezelf, omdat ik me ooit wil herinneren wat er allemaal gebeurd is, tot dikke naslagwerken en romans. Kinderboeken en televisieseries. Zouden al die woorden andere mensen bereikt hebben? Wat ontbreekt is een toneelstuk. Ik zou de 'Kankermonologen' moeten schrijven. Een theaterstuk over gezwellen die met elkaar praten. Lijkt me wel iets. Zeker nu ik steeds meer een expert dreig te worden in iets waar een normaal mens niets mee van doen wil hebben.
Alles waar ik mezelf mee heb getroost in nachten waarin ik niet kon slapen omdat ik in het donker niet meer begreep wat er met me gebeurde, zeg ik tegenwoordig hard op omdat schrijven niet meer voldoende is. Het moet want kanker heeft ons als een meteorietenregen overvallen, slaat gaten in ons leven. Het begon als een heel verrassende nieuwe wending in mijn eigen leven. Alles ging zo goed. Iemand boven moet gedacht hebben dat er wel eens een beetje tegenslag in ons zonnig bestaan mocht zijn en dan liefst niet te kinderachtig. Dus leerde ik de betekenis van sterfelijkheid. Daarna sloeg het in bij mijn schoonmoeder, die sindsdien een borst minder heeft en altijd bezorgd let op verschijnselen in haar lichaam die kunnen duiden op terugkeer van het monster in haar andere borst. Nog maar kort geleden was mijn schoonvader aan de beurt. Het kostte moeite daaraan te wennen, want het gebeurde zonder enige aankondiging. Zijn familieleden en vrienden verzamelden zich rond zijn bed, maar ze moeten later maar eens terugkomen, want hij krijgt weer zin in het even nu zijn behandeling aanslaat. Drie weken geleden was er iets mis met de borstfoto van mijn schoonzus en vorige week is ze hals over kop geopereerd. Elke dag vertelt de oncoloog haar iets meer over wat hij achter de tepel en in de oksel gevonden heeft en eergisteren legde hij uit dat hij niet weet of hij wel alle aangedane lymfeklieren eruit heeft weten te halen. Spoedig volgen nu chemokuur en bestraling.
's Nachts als ik naar het toilet moet, merk ik dat Marion wakker ligt. Ze hoeft me niets te vertellen. Ik weet waarover ze denkt. Ze vraagt zich voortdurend af of iedereen die haar lief is wordt weggehaald. Wat moet je alleen in een wereld die zo leuk was met al die anderen die je al zo lang kent? Waarom blijkt ineens iedereen kanker te hebben? Wie gaan er nog volgen?
De zon scheen tussen de buien door toen we Joyce gingen bezoeken. Marion deed het dak van haar auto open en ik zette mijn zonnebril op. Kan dat wel, vroeg ik me heel even af. Een overdreven demonstratie van hoe goed het leven is, terwijl we op bezoek gaan bij iemand die in haar bed ligt en sprakeloos is over alles wat ze in korte tijd over borstkanker aan moet horen. Er bestaan onvoldoende woorden om daar nog enige vorm van zingeving aan te verlenen.
Ik kan haar iets vertellen over bestraling, maar niets over hoe je chemotherapie ervaart. Ook weet ik ondertussen veel over de gevolgen van castratie door hormoon onderdrukkende medicijnen, maar daar heeft Joyce erg weinig aan. Daarnaast heb ik een reeks dooddoeners verzameld waarmee ik mezelf voor de gek hou. "Ach, iedereen heeft kanker. Alleen die andere mensen weten het nog niet. Wij toevallig wel." Een andere favoriet van me is: "Iedereen gaat dood, maar zolang dat nog niet gebeurd is, moet je je er nog niet naar gedragen. Zolang je nog leeft, moet je dat ook echt doen. Anders laat je je te veel afnemen." Behalve de 'Kankermonologen' gaan schrijven, kan ik ook mijn tijd besteden aan het opzetten van een bedrijfje in tegelteksten voor in de WC. Troost voor kankerlijers.
Het vreemde is dat taal toch helpt. We hebben woorden gekregen die we als een soort zalf op onze pijnlijke ziel smeren. Natuurlijk, sommige woorden willen we niet horen. Die doen alleen maar pijn. Bij voorkeur hoor ik zelf bijvoorbeeld geen verhalen over andere mensen die kanker hebben en zo'n leuke pet of hoofddoek dragen tijdens de chemo, waardoor ze er zo goed uitzien. Alsof de kaalheid uiteindelijk het ergste is. Nog erger vind ik verhalen over mensen die kanker krijgen en veel ouder zijn dan ik. Dat is namelijk anders. Sneu, maar je moet ergens aan dood gaan en oude mensen kunnen niet eeuwig leven. Het is leuker als je op vijfennegentigjarige leeftijd in je slaap een hartaanval krijgt die zorgt dat het knopje pijnloos wordt omgedraaid, maar we kunnen ons einde meestal niet uitkiezen. Ik wil met die hele oude knarren niet worden vergeleken. Kanker onder de zestig is gewoon oneerlijk, een rotstreek.
Er zijn echter woorden die wel goed doen. Gewone woorden, zelstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, zelfs lidwoorden. Het maakt niet uit wie ze zijn, als ze maar met oprechte empathie worden gebruikt.
Het is bovendien prettig om te weten dat je niet de enige bent. Niet dat je daar ook maar iets aan hebt, maar het is een vervelend idee dat jij nu uitgerekend de enige bent die het vonnis te horen krijgt waarmee op slag duidelijk wordt dat je misschien niet altijd maar door feestend het eindstation van de trein waarin we samen zitten zult bereiken. Die anderen wel! Nadat ik mijn schoonvader verteld had dat hij het zelfde heeft als ik, hoorde ik hem een paar keer aan iemand die vroeg wat hem mankeert zeggen "Ik heb het zelfde als Ivan." Dat is tekst waar je iets aan hebt. Je hoeft het stomme woord met de K, waarvan toch niemand de ware betekenis begrijpt niet hardop te zeggen en het geeft het gevoel dat je dit lot deelt met anderen. De woorden verbinden ons met elkaar.
Joyce wilde even slapen en Marion en ik maakten van de gelegenheid gebruik een wandeling door de uiterwaarden te maken. Het was grijs geworden. Motregen dreigde. Twee hazen schrokken van ons, sprongen uit hun schuilplaats en renden weg. Ergens achter wat struiken verrasten we per ongeluk twee neukende mannen die haastig hun broek omhoog trokken. De mens is nooit alleen. Altijd vindt hij wel anderen die onze angsten, verlangens of ziekten delen.



Terug