| Week 43 -2006 La Grande Bouffe, de film van Marco Ferreri, maakte ooit diepe indruk op me. De film was toen ik hem zag bijzonder schokkend. Misschien nu niet meer. Het gaat over mensen die zich dood eten. Het is goed voedsel en vandaag de dag zouden ze de film uitbrengen in combinatie met een kookboek met de recepten van de gerechten in de film. Die combinatie tussen de wellust van het eten en de zelfgekozen dood maakt de film zo spannend, omdat in de lust de ondergang verscholen zit. Mijn maag draaide om toen Michel Piccoli - of was het Marcello Mastroianni? - zo veel gegeten had dat toen hij een scheet liet, de diarree dwars door zijn broek naar buiten kwam, en hij dood in elkaar zakte. Dat beeld is me bijgebleven als het ergst voorstelbare. Het sloeg zelfs mijn herinnering aan een oude zwerver in Londen die voor Buckingham Palace niet ver van een van de schildwachten onhandig in zijn broekzak rommelde. Alsof hij zijn sleutels eruit wilde halen, maar die zaten vast in de voering. Ineens rolde er onder uit zijn broekspijp een drol. Ik was twintig en vond dat een mens toch niet veel erger kan zinken. Geen schaamte. Maar Piccoli zocht het ook nog zelf op door ongeremd te eten. En dan was het bij hem ook nog pap en geen afgeronde bolus. Dat is tenminste nog een werkstuk. Er stonden mensen boos op en liepen weg uit de bioscoop. Ik heb dat ook wel eens overwogen, bijvoorbeeld bij de beroemde Japanse film L'empire des sens. Het staat stoer dat je zo'n welopgevoed mens bent met een verfijnde smaak. Ik heb het echter nooit gedaan, want ik ben te nieuwsgierig naar het einde van een film. Regelmatig lukt het me niet mijn hele rondje te rennen zonder dat ik het in mijn broek doe. Marion heeft wel eens gezegd dat ik een luier aan moet trekken bij het hard lopen. Ze heeft geen idee hoeveel pijn die opmerking me doet. Dat is nog erger dan bij Picolli, die het tenminste zelf gekozen heeft. Bovendien maak ik mezelf wijs dat het zeldzame incidenten zijn en dergelijke belachelijke voorzorgen overbodig. Pas toen ik deze zomer in Miami Beach was moest ik erkennen dat het niet om ongelukjes gaat, maar dat het gewoon een onderdeel van mijn algemene conditie is. Daar in Florida renden we over de board walk langs de kust. Kun je je iets interessanter voorstellen dan een paar mijl (want dat ga je natuurlijk zeggen in plaats van kilometers) rennen over de board walk? Je haalt wandelende bejaarden in, schiet langs vrouwen die met een MP3-speler rond de bovenarm hun afstandje doen en komt hevig zwetende mensen met enorm overgewicht tegen die met een soort snelwandelen bezig zijn. De zon schijnt en het vroge licht belooft een prachtige nieuwe dag. De planken veren mee met mijn krachtige pas en dan na een mijl of twee is het zonder enige vooraankondiging zo ver. Wat ik in Amerika miste was mijn vertrouwde bos waar ik elke boom, elke brede struik ken en precies weet waar ik snel op mijn hurken moet. Even gaat het door me heen dat ik 'under the board walk' moet zijn, zoals in het beroemde liedje, maar daar is helemaal geen plaats voor een volwassen man. Het strand is leeg. Ik zie twee meisjes en een jongen hand in hand zitten en bidden. Ze hebben onder een strandstoel de nacht doorgebracht. Snel naar de zee, hardloopschoenen uit en met mijn sportbroekje de zee in. Alles uit de onderbroek schudden en aan de golven meegeven. Jammer voor de jonge gezinnen die later op de ochtend een dagje naar het strand komen om er wat rond te zwemmen. Het is duidelijk. Ik kan nooit meer verhuizen en zal mijn leven lang verder hier in het bos bij mijn huis moeten rennen. Het is de enige plek waar ik nog een beetje veilig ben. Een beetje, want er is een lang stuk langs de provinciale weg waar ik toch moeilijk bij mensen die ik niet ken in de voortuin kan verdwijnen. Ook niet trouwens bij mensen die ik wel ken. Daar ging het pas weer een keer mis. Het had geen zin meer om in het veilige bos dat volgde nog dekking te zoeken. Met een grote warme koek in mijn onderbroek rende ik verder. Nog een kilometer of twee. Ik liep aan de linkerkant van de weg en als ik een fietser zag naderen stak ik snel over, bang dat een doordringende geur me zou verraden. Waar ik me niet aan stoorde waren de auto's die me inhaalden. Thuisgekomen zag ik dat de hele achterzijde van mijn zwarte trainingsbroek sprekend leek op de broek van Michel Piccoli. Het komt door de bestraling. Die heeft korte metten gemaakt met mijn prostaat, maar in het vuur van het gevecht is mijn darm meteen maar meegenomen. Toch blijf ik consequent tegen de mensen die me vragen hoe het gaat "prima" zeggen. Ik lach daar blij bij. Een beetje poep in de broek is te overzien en niet zo erg als een chemokuur. De wasmachine kan het prima aan. Na twee uur zijn alle sporen volledig uitgewist, zelfs mijn geheugen houdt zich er niet meer mee bezig. Ik zou er ook nooit over geschreven hebben als ik deze week niet op een vreemde manier in de spiegel had gekeken. Om even aan de zorgen over zieke familieleden te ontsnappen en net te doen of er geen werk op stapels door het huis heen ligt te wachten, besloten we een paar dagen te wandelen in de buurt van Bergen aan Zee. Het was een echte vlucht, weg van de koffer die al sinds we in augustus terug kwamen uit Florida niet uit is gepakt en midden in de slaapkamer staat, van de post van weken die nog niet open is gemaakt, van de rekeningen die nog betaald moeten worden. Tussen de duinen wordt de wereld overzichtelijk en dat hadden we precies nodig. We kwamen over een duin heen naar de zee toe en plotseling zagen we naast het pad een man met grijs haar in zwart trainingspak op zijn hurken. Hij schrok. Snel trok hij zijn broek op en rende weg. Toen we het strand bereikten zag ik hem in de verte naar Egmond aan Zee toe lopen. Hij zag er stoer uit en maakte flink wat tempo tegen de wind in. Die was niet meer in te halen, maar ik had hem zo graag willen zeggen dat hij zich voor mij niet hoeft te schamen. Terug |