| Week 45 -2006 Pas een dag nadat ze me gebeld en ik haar afgewimpeld had, kon ik even tijd vrij maken om met mijn moeder te telefoneren. Ik was erg druk omdat ik nog de zelfde dag naar Bangkok vertrok om een workshop in Thailand, te leiden. Mijn moeder bel ik altijd vanuit de auto. Dan heb ik er alle tijd voor en heb ik geen haast om het gesprek snel te beëindigen. Ik was op weg naar het ziekenhuis voor mijn afspraak met de dokter. Even de dokter en dan Schiphol. Hoe hoog zou de PSA nu weer zijn? De enige aanwijzingen waarmee ik het proces van de rebelse cellen in mijn lichaam kan volgen zijn die bloedonderzoeken. Verder merk ik het nergens aan. De bloeduitslagen concretiseren de geheimzinnige ontwikkelingen die normaal gesproken voor het menselijk oog niet zichtbaar zijn. "Moedertje met Ief," zei ik op montere toon. "Ach, ach, ach," mopperde ze. "Wat hebben we een medelijden met je." Er zat een boze ondertoon in haar stem. Zou ze kwaad zijn omdat ik haar vierentwintig uur had laten wachten? Het bleek echter te maken te hebben met mijn interview in HP/de Tijd. Dat had ze blijkbaar gelezen. "Het gaat toch goed met je?" vervolgde ze schamper. "Dat zeg je altijd. Waarom zit je dan zo te klagen?" Ik hield me stil. "En dan leg je je hele hebben en houwen op straat," zei ze op bitse toon. "Het moet ook niet veel gekker worden. Hou die dingen toch voor je. Dat hoeft een ander allemaal niet te weten." Nu ik achtenvijftig ben, luister ik niet meer naar wat mijn moeder vindt. Dat heb ik nooit gedaan en vanaf mijn puberteit schakel ik mijn gehoor uit als ze op die manier tegen me praat. Het stoorde me echter dat ze meende me enig commentaar te mogen geven. Ik liet niets merken en bracht het gesprek op een ander onderwerp. Na voorspoed en zorgen van alle familieleden met haar te hebben besproken, verbrak ik uiteindelijk de verbinding, en vermoedelijk heeft ze mijn irritatie niet opgemerkt. Toch bleef ik nadenken over wat ze gezegd had. Toen mijn eerste roman - 'De laatste handelsreiziger' - uitkwam was ze furieus. Het boek ging over mijn relatie met mijn vader, over een man worden, volwassen worden, vader worden en je vader verliezen. Het was met veel liefde geschreven om aan mijn zoon iets na te laten van mijn vader. Verhalen over hoe hij was. Hoewel het boek gebaseerd was op de werkelijkheid, had ik het natuurlijk volledig naar mijn hand gezet en er elementen in gebracht die het scherper maakten. Zo had ik mijn vader een buitenechtelijke relatie laten hebben. Dat paste bij het karakter van de handelsreiziger die vaak in het verre Groningen de nacht door moest brengen omdat hij niet helemaal naar huis terug kon rijden. Het bracht ook wat meer spanning. Juist wat ik dacht verzonnen te hebben stak mijn moeder nog het meest. "Je vader en ik hadden zo'n goed huwelijk," had ze gezegd. "Het is maar een boek," antwoordde ik. "Dan had je het ook niet in de ik-vorm hoeven schrijven," reageerde ze. "Goede romanschrijvers gebruiken altijd de hij-vorm." Het gekke is dat ik niet denk dat mijn moeder een ervaren literatuuranalyticus is. Toch heb ik het boek dat ik na mijn debuut schreef in de hij-vorm geschreven. Haar schaamte was in mij gekropen. Mensen zouden nog kunnen gaan denken dat het over mezelf ging. En ook mijn andere romans daarna waren altijd verzonnen. Ik was de poppenspeler, en nooit echt betrokken. Op het moment dat ik via mijn weekboek over mijn kankercellen begon te schrijven was er maar één manier mogelijk en dat moest gebeuren in de eerste persoon enkelvoud. De tijd van verhaaltjes vertellen was voorbij. Het ging over mezelf en oprecht was alleen mogelijk aks ik niets zou verhullen. Terwijl ik dichter bij het ziekenhuis kwam bedacht ik me dat het misschien om heel andere redenen niet goed is zo veel over dat gezwel te schrijven. Het wordt zo concreet, niet meer te negeren, alsof door de vormgeving in woorden het uiteindelijk groter zou kunnen worden dan het werkelijk was. In mijn weekboeken, in de verzameling ervan - Heimwee naar de Lust - en in dat interview in HP/de Tijd gaat het wel precies over waar ik mee worstel. De behandeling van die verhoogde PSA waarden om de cellen te temmen verloopt via het onderdrukken van mijn mannelijk hormoon. Dat heeft nog al wat gevolgen. Na de bestraling hoopte ik natuurlijk dat de cellen nooit meer iets van zich zouden laten horen. Ik stopte met de medicijnen om weer gewoon mezelf te zijn. Het ging aanvankelijk goed. Op een dag zat ik bij de dokter en hij zei nul komma zeven. Een paar maanden later één komma zeven en weer later drie komma vijf. En ik wist heel goed dat het niet mocht verdubbelen binnen drie maanden. Dus toen ik weer drie maanden later kwam vond ik het woord vijf prettig, want twee maal drie komma vijf is nog altijd zeven. En, vervolgens, en dat was de vorige keer dat ik hem bezocht, zei hij acht, ook een schitterend woord. Ik voelde me goed en rekende uit wanneer ik de magische twintig grens zou bereiken, het moment dat ik weer met de behandeling zou moeten beginnen. In de auto op weg naar het verlossende woord van de uroloog bedacht ik me dat ik misschien nu twaalf en dan over weer vier maanden achttien zou horen. Volgende zomer zou ik dan misschien door de grens heen gaan. Of misschien wel helemaal niet en gingen de getallen weer omlaag. Hij zei me even later "Twintig komma vijf". Wat een lelijke woorden. Vooral de toename was verontrustend, want op deze manier zou het bij de volgende controle al boven de vijftig zijn. Uitzaaiingen. Hij wachtte niet eens mijn reactie af. "De vorige keer dat je ze slikte had je last van borstontwikkeling," zei hij op vragende toon. Ik knikte. "Dan kunnen we je tepels beter eerst bestralen voor we weer met slikken beginnen." Die eerste persoon meervoud die hij gebruikt, is sympathiek, alsof ik het niet in mijn eentje hoef te doen. "Dan zijn die borstcellen weg en kunnen ze ook niet gaan groeien." Nee, ik wil uiteraard niet ook nog borsten hebben. "Je kunt ook wachten en als het dan gebeurt dan kunnen we er andere medicijnen bij slikken." Hij noemde een middel dat gebruikt wordt door vrouwen met borstkanker en dat de oestrogenen tegen werkt. Dan zou ik dus geen mannelijke en geen vrouwelijke hormonen meer in mijn lichaam meer hebben. Een man zonder eigenschappen. "Ja, laten we maar eerst bestralen," zei ik. Terug |