| Week 46 -2006 's Avonds op straat in Bangkok wedijveren de geuren met elkaar. De uitlaatgassen van de stadbussen, de wierook bij de altaartjes waar de vrouwen op hun knieën eerbiedig buigen voor iets dat ze niet goed begrijpen maar hun lot bepaalt, de intense geur van de tropische afbraak in de buurt van stilstaand water, geroosterde kip en inktvis, het goedkope parfum van de meisjes in hun korte rokjes die 'hello' tegen elke passerende man zeggen. De stad lijkt bijna tastbaar. Er is de altijd voelbare warmte, de transpiratie op je rug en voorhoofd, het voortdurend aanwezige geluid van verkeer, en de felle lichten van de etalages, de neonlampen van monorailstations wier baanvak als een dak van beton boven de hoofden van ons gewone mensen de hemel bij ons weg houdt, en de reclamebillboards die illusies verkopen. Ik hou van de hoofdstad van Thailand, al vanaf de eerste keer dat ik er dertig jaar geleden kwam. De stad zag er toen heel anders uit, maar nog altijd vind ik mijn weg er gemakkelijk en ik loop naar de plaatsen die mijn geheugen in stand houden, een restaurant waar ik met Marion gegeten heb of een markt waar we kommen kochten die al lang gebroken zijn. Dat kan alleen 's avonds omdat ik hard moet werken en voor acht uur niet buiten het hotel kom. Het werk verloopt goed. Hoeveel van die workshops heb ik nu in mijn leven gegeven? Nog altijd blijkt het beter te kunnen. Zijn de mensen die we trainen slimmer geworden of leren wijzelf steeds effectiever ons werk te doen? Worden we duidelijker? Weten we wat we weg moeten laten omdat als we teveel willen het alleen maar verwarrend is? Hebben we het ritme van inspanning en ontspanning beter door? Als ik het nog altijd beter kan dan de vorige keer, waar ligt dan het hoogtepunt? Wanneer ga ik mijn beste workshop geven? Dat moment moet blijkbaar nog komen. Zoals ik ook graag vol wil blijven houden dat de beste momenten in mijn leven in de toekomst liggen, maar wanneer is de toekomst voorbij? Niemand, ook Boeddha niet voor wie de Thaise vrouwen op de knieën gaan, weet hoe lang we mogen leven om de uiteindelijke perfectie waarnaar we streven te bereiken. Het is ook niet iets waarover ik te vaak na wil denken. Toch dringt zich steeds sterker aan me op dat ik misschien beter mijn prioriteiten zou moeten stellen. Mijn leven lang droom ik ervan uitsluitend mooie dingen te schrijven. Geen rapporten, geen voorstellen voor indrukwekkende plannen waar sceptici niet in geloven, geen richtlijnen voor hoe je onderzoek doet onder migranten zonder verblijfsvergunning in Bangkok, Kuala Lumpur of Seoul. Zal ik dan nu maar eindelijk eens beginnen aan de rest van mijn leven? Zal ik mijn Aziatische vrienden laten weten dat ik liever een verhaal fantaseer over mannen met rood verbrande gezichten in hun voor weinig geld op straat gekochte namaak poloshirtjes. Over Thaise meisjes waarmee ze hand in hand lopen en die op een of andere manier altijd op die mannen lijken. Allebei met een norse blik in de ogen, of allebei met brede schouders, of allebei met een tatoeage. Ze vinden elkaar doordat ze de merktekens, die mij in eerste instantie ontgaan, bij elkaar herkennen. En dat terwijl ze niet eens in staat zijn met elkaar in een zelfde taal te communiceren. Maar waar dromen ze over? Mijn Aziatische vrienden zullen denken dat ik gek geworden ben als ik dat meedeel. Ik voel echter een intense behoefte om te schrijven en heb haast om alles wat ik nog wil zeggen snel op papier te zetten. Het is zo veel. Misschien nog één workshop om alles af te ronden, maar dan... Wie weet, kan het ook best zonder mij. Op de laatste middag van de bijeenkomst glip ik weg om het toilet te bezoeken en in die ruimte van tegels en porselein besluit ik dat ik onmiddellijk aan de rest van mijn leven begin. Ik ga niet meer terug naar het zaaltje en wil nog even de stad bij daglicht zien. Een laatste rondje door de stad om bij het Japanse restaurant waar ik graag eet langs te gaan en nog één keer de vier soorten zelfgemaakte tofusoorten van Hiroguri te proeven. Hij geeft me zijn geheime recept voor soja cheesecake als geschenk mee naar huis. Ik wil ook nog ergens mango met kleefrijst eten. Daarna het winkelcentrum in om kleertjes voor mijn kleindochter te kopen, T-shirts voor de andere kleinkinderen, leuk ondergoed voor Marion, een zijden onderbroek met draken voor mijn schoonvader die tegenwoordig de meeste tijd in bed ligt en het zoveelste zwarte overhemd voor mezelf. Waarom koop ik ineens zoveel? Het is alsof ik vermoed hier nooit meer terug te komen, want als ik niet meer zoveel voor het project zal werken, waarom zou ik dan ooit nog naar Bangkok reizen? Ik kan niet meer net doen alsof er altijd wel weer een nieuw moment komt. Dergelijke onnozelheid kan ik me niet veroorloven. Ik wil zo echter niet denken. Alles is nog mogelijk. En waarom heb ik anders geleerd om zo goed workshops te doen? Als de Boeddhisten in Thailand gelijk hebben en we leven om te leren, wat zit de wereld dan dwaas in elkaar. Dan ben ik op mijn best als het niet meer nodig is. De zon verdwijnt vuurrood tussen de hoge hotels en bankgebouwen. Een blinde vrouw begeleid door een haveloos geklede man schuifelt tussen de mensenstroom door. Ze houdt een microfoon voor haar mond en draagt een versterkertje op haar borst. Ze zingt de klagerige liedjes van het Thaise platteland over het wrede lot van de geliefde die niet terug komt. Het is de hoogste tijd dat ik naar het vliegveld vertrek voor ik weemoedig word. Ik moet terug naar de toekomst. Terug |