| Week 50 -2006 Het verstelbare bed in de huiskamer waarin mijn schoonvader zijn dagen doorbrengt moet terug naar de thuiszorg. Drie maanden mocht hij het lenen, maar nu is het voorbij. Hij komt niet meer in aanmerking voor noodhulp, maar moet over naar de chronische zorg. Er kan wel een nieuw bed worden aangevraagd, maar dat moet dan eerst beoordeeld worden. Ook dat bed zal gratis zijn. Mijn schoonmoeder is de hele ochtend aan het bellen. Uiteindelijk is geregeld dat er een nieuw bed gebracht wordt en dan later het eerste bed gehaald. Twee bedden in de huiskamer? Valt dat onder hulp of onder zorg? Mijn schoonmoeder heeft er geen plaats voor en mijn schoonvader zou niet weten in welk van die bedden hij die dag moet doorbrengen. Marion heeft me opgebeld en probeert het me allemaal te vertellen terwijl ik in de auto op weg ben naar de universiteit. Vandaar ga ik door naar mijn afspraak voor de controle van de bestraling. Een drukke dag. Het valt haar niet gemakkelijk me alles uit te leggen en ik begrijp dat er veel voor opgebeld moet worden. Kan de zelfde auto het ene bed halen en het andere afleveren? Dat blijkt onmogelijk, want het gaat om twee afdelingen die elk een eigen verantwoordelijkheid hebben. Is het niet prachtig dat onze samenleving zorgt voor een gratis bed voor de zieken, maar getuigt het wel van medemenselijkheid om een oude man en vrouw op te zadelen met dit soort Kafkaiaanse bureaucratie? Het anaal onderzoek dat mijn Iraanse bestralingsarts bij de halfjaarlijkse controles uitvoert verandert mijn onderbroek in een glibberige skipiste. Het ruime gebruik van glijmiddel en mijn beschroomdheid om na het onderzoek staande in zijn aanwezigheid mijn billen met tissue af te vegen, zorgen voor dit ongemak. Net als bij vorige gelegenheden is hij weer tevreden over me. Plat. Zacht. Knobbelloos. Maar waarom moet ik dan weer zo vaak plassen en waar komt die hoger wordende PSA dan vandaan? Ik had er half en half op gerekend dat hij me een vervelende boodschap zou moeten brengen. Dat het in mijn prostaat is teruggekomen. Enthousiaster dan voorheen misschien wel, omdat het zich wel thuis voelt in de prostaat van de babbellende man die zo aardig kan schrijven over dat miskende orgaan. Maar nee, alles is in orde met mijn prostaat. Is het goede nieuws dan wel echt zo goed? Waar zitten dan die duivelse cellen die de bloedwaarden omhoog stuwen? Mijn radioloog en ik spreken nog even over het door de meerderheid van de tweede kamer gewenste generaal pardon, dat de schande van een ongastvrij volk misschien kan wegnemen. Ondanks het tegenstribbelen van mensen die het voor doen komen of het helpen van het handjevol mensen dat hier meer dan zes jaar intens heeft geleden, zal leiden tot een vloedgolf van Afrikanen die naar de Canarische eilanden zwemmen en vandaar hun weg vinden naar onze dokters' wachtkamers en sociale voorzieningen, lijkt de tweede kamer nu toch iets van mededogen te tonen. Mijn arts en ik zijn daar allebei tevreden over. Beter weinig te laat dan volledig gefaald op menselijk vlak. In de auto op weg naar huis, ongemakkelijk gezeten op de inhoud van een halve pot vaseline, denk ik aan medemenselijkheid. Wetenschappelijk onderzoek brengt altruïsme in verband met genetische aanleg. Onze voorouders deelden hun schaarse goederen met mensen die niets hadden om zo de moeilijke tijden te doorstaan. Daardoor hadden ze zelf misschien wat minder, maar het maakte de groep sterker, zodat men daar zelf ook weer op terug kon vallen. Wie geleerd had te delen had grotere kans te overleven. Zou die genetische aanleg in onze tijd uiteindelijk verdwenen zijn omdat schaarse tijden zeldzaam zijn geworden? Een ander onderzoek dat ik onlangs las zou het misschien kunnen verklaren. Daarin werd de invloed van geld op mensen nader bekeken. Zelfs het denken aan geld verandert mensen al. Er werden voor het onderzoek twee groepen gevormd. Eén die op de computer met geld bezig was en één die op de computer spelletjes speelde. Degenen die met het geld in contact gebracht werden werkten wat harder, maar als ze om hulp gevraagd werden gaven ze die met tegenzin. Ze waren liever alleen. Ze leken van geld te houden omdat het hen onafhankelijkheid schonk en het gevolg was dat ze minder met vrienden en familie omgingen. "Alleen al het denken aan geld verandert mensen in kortzichtige individualisten," schrijven de wetenschappers. Logisch dat de aanleg tot medemenselijkheid langzaam maar zeker verdwijnt. Ik zou terug willen rijden naar mijn Iraanse vriend om hem dat nog even te vertellen, maar het staat vreemd als ik terugkom en weer in de wachtkamer ga zitten. Ik ga proberen die gedachte een half jaar lang te bewaren. In juni zal ik hem uitleggen dat ik gelezen heb waarom de mens alleen nog maar last heeft andere mensen. 's Avonds staat in het huis van mijn schoonouders het nieuwe bed en het oude is verdwenen. Het is een bed voor chronische zorg. Het ziet er precies zo uit als het andere bed. Blank hout. Hoge en lage stand. Een papagaai erboven zodat mijn schoonvader zich op kan trekken. Wij hebben onze medemenselijkheid tot in de details georganiseerd. Terug |