Week 51 -2006
In het restaurant in New York, aan het tafeltje achter mij, hoor ik een oudere man en vrouw praten. Zij heeft een vrij schelle luide stem met een nasaal accent. Hem hoor ik nauwelijks omdat hij af en toe slechts een bevestigend gebrom voortbrengt. Ze moeten elkaar nog niet zo lang kennen, want de vrouw vertelt van alles dat je bekend mag veronderstellen in een lang huwelijk.
"Herinner je dat ik je wel eens over Betty vertelde?" vraagt de vrouw. "Ik kende haar toen ik nog in South Carolina woonde. Ze was zo mooi. En ze had alles. Vrouwen wilden Betty zijn en mannen wilden haar hebben. Nu heeft ze het aan haar longen en ze kan nooit haar huis uit omdat ze niet zonder zuurstof kan."
Ik kan daarna het flard dialoog niet meer uit mijn hoofd zetten. De rest van hun gesprek hoor ik niet meer hoewel de vrouw haar schelle vertellingen voortzet. Betty blijft in mijn gedachten en maakt me nostalgisch. Dat schijnt goed te zijn. Nostalgie helpt het hoofd gezond te houden. Genieten van het mild verdriet over het verloren gaan van alle schoons in de wereld. Maar ook de aanvaarding dat wat mooi was toch moet verdwijnen en de appreciatie van de esthetiek van opkomst, bloei en ondergang. Nostalgie is volgens wetenschappers een positieve grondhouding, die het leed filtert, misschien zelfs ten gunste verandert. Het is onderdeel van een creatief proces. Daarmee is het zo anders dan bijvoorbeeld depressie, waarbij het lijden van de mens veranderd wordt in drama zonder uitzicht. Zelf heb ik sterke neiging tot nostalgie, tot op het gevaarlijke randje van de sentimentaliteit, en soms er iets overheen. Mono no aware, zoals de Japanners het noemen. Het zien van schoonheid in het verval. Ontroering door wat verdwijnt en vreugde daar getuige van te mogen zijn.
Mijn dokter heeft het me niet voorgeschreven. Drie maal daags een eetlepel nostalgie. En ik houd niet zo erg van alternatieve genezers die uit geheime tekens rondom ons de rechtvaardiging halen om te beloven dat het allemaal goed met ons zal komen. Toch kan ik iedereen met kanker nostalgie als remedie aanraden. Het helpt bij het in perspectief brengen van alle klein en groot leed.
We zijn in New York en die stad heeft alles om een beetje nostalgisch te worden. Het is immers een stad zonder al te lange geschiedenis en daarom ben je geneigd met behulp van je verbeelding wat er was te construeren. Zoals in het boek The New York that disappeared met grijzige foto's van gebouwen die plaats moesten maken voor de toekomst, die al weer verdwenen is. Alles vindt in deze stad op het moment zelf plaats en wat net gebeurd is wordt al weer uitgewist. De ene hype volgt de andere op. Moest ik bij een vorig bezoek in de 27ste straat eten, nu is het beter me te laten zien in de 12de straat. Was het twintig jaar geleden nog noodzakelijk om bij Balthazar drie weken van tevoren een tafeltje te bespreken, nu loop je er zo binnen en heb je veel moeite om te kunnen eten bij de Budha bar, die nog maar net enkele maanden geleden geopend werd. Wie als ober bij dat laatste restaurant werkt, heeft heldenstatus, is de new kid in town en mag overal gratis naar binnen. De televisie brengt de hele dag door het laatste nieuws: verdwenen kinderen, bedrogen echtgenotes. Dit is ook het land waar de nieuwste operaties worden uitgevoerd, injectie met collageen in de tepels of de G-spot, om maar geen moment van het heden te hoeven missen en er maximaal van te genieten, want het is voorbij eer je het door hebt.
Het belangrijkste gesprek van mensen die naar New York gaan of die er net zijn aangekomen gaat ook over waar je moet eten, waar je uit moet gaan. Het is noodzakelijk de geschiedenis voor te blijven voor hij ons inhaalt. Niet te lang blijven hangen op de landkaarten van vroeger.
Marion en ik beginnen de dagen met een rondje rennen door Central Park. Stukje toilet papier geklemd onder het elastiek van mijn onderbroek en hopen dat ik net in de buurt van aan publiek toilet ben als mijn darmen of blaas opspelen. Hoewel het erg kritisch is, lukt het me drie dagen achter elkaar mijn rondje te volvoeren zonder catastrofale gevolgen. Als we een dag later besluiten om alleen maar door het park te wandelen gaat het echter helemaal mis. Het is mooi weer. Hardlopers rennen in dunne sporthemdjes of zelfs met ontbloot bovenlijf. Een zeventigjarige rolschaatsdanser houdt ons aan en vraagt waar we vandaan komen. Hij wijst naar het Dakota building in de verte en zegt "Daar woonde John Lennon". Het is deze week al weer zesentwintig jaar geleden dat hij vermoord werd en we kennen nog altijd de woorden van 'Imagine' uit ons hoofd. Kinderen hebben hun winterjassen uitgedaan en op een hoop naast de speelweide gegooid, waar ze wild achter een bal aan rennen. Ik heb de signalen van mijn lichaam gemist en moet nodig plassen. Er is niets in de buurt. "Een man kan altijd overal als er een boom in de buurt is," zegt Marion. Maar ik voel me niet op mijn gemak in zo'n park waar de Filippijnse nannies met kleuters en honden van de buitenlucht genieten, waar grijze vrouwen met hun gezicht naar de zon toegekeerd de laatste restjes leven in zich opslurpen. Daar kan ik maar niet zo maar de gulp openen en hun illusie van een mooie dag verstoren. De aandrang wordt al maar heftiger en ik heb geen keus meer. Plotseling ren ik snel naar een dikke boom en beoordeel hoe die me zo goed mogelijk uit het zicht houdt. Terwijl ik de metalen knopen open, voel ik dat ik te laat ben. Met een donkerblauwe vlek op mijn spijkerbroek loop ik vervolgens door het park. Wat helpt de nostalgie me nu? De ontroering over het verdwijnen van leven en jeugd zijn aangenaam zo lang we ze bij anderen waarnemen. Het emotioneert vooral als het niet de eigen darmen of blaas aangaat. Met mijn handen onhandig voor mijn lichaam om de schande bij mijn kruis te bedekken lopen we naar The Boathouse. Een gang naar het toilet is overbodig geworden, maar we kunnen er lunchen. Ik leg de helder witte servet op mijn schoot en lijk op de andere mensen die er eten. Eén van de vrouwen wier leven achter hen ligt en die telkens een glas met een felgekleurde cocktail heffen om met elkaar op het mooie leven te toosten kijkt me zelfs af en toe geïnteresseerd aan. Een glas suavignon blanc geeft me het gevoel alsof ik er nog helemaal bij hoor.
Een uur later kan ik weer geloven dat de rest van ons leven voor ons ligt. Als ik naar het toilet ga zie ik aan de wanden verkleurde zwart wit foto's van hoe het hier in het verleden was. Ontroerend. Mensen die hier genoten en al lang overleden zijn of misschien hun huis nooit meer uit kunnen omdat ze zuurstof nodig hebben.



Terug