Week 02 -2007
Nadat hij enige tijd de rolstoel van de thuiszorg heeft mogen gebruiken moet nu beoordeeld worden of mijn schoonvader in aanmerking komt voor verlenging ervan. Daarvoor moet hij met speciaal vervoer naar het kantoor van de zorginstelling, waar iemand een gesprek met hem zal voeren. Die zal beoordelen of de rolstoel in zijn huis mag blijven staan, zodat mijn schoonvader af en toe bij speciale gelegenheden toch de deur nog uit kan. Zonder rolstoel is het uitgesloten. Het argument dat hij zo slecht is dat hij een rolstoel nodig heeft om uit te gaan is onvoldoende om de ingewikkelde expeditie te voorkomen. Hij moet er persoonlijk naartoe en er is al een tijdstip voor gekozen.
"Als u dan bij ons kantoor aankomt, bestel dan onmiddellijk de rolstoeltaxi voor de terugreis, want het duurt soms wel een uur voor die terugkomt," zegt de vrouw die mijn schoonouders voor de afspraak belt. Ze probeert waarschijnlijk behulpzaam te zijn.
Dood gaan is niet het ergste, ziek zijn is vervelend, maar zelf getuige te moeten zijn dat je eigen lichaam je in de steek laat is een schouwspel waar geen enkel mens prijs op stelt. Uit onderzoek blijkt dat ons zenuwstelsel niet gemaakt is om perfectie te bereiken, maar leert het steeds beter om te gaan met wisselende omstandigheden. Daarom slagen we er niet in de beste momenten in ons leven te herhalen. We worden alleen maar handiger in het vermijden van al te veel ongelukken. Uiteindelijk laat het zenuwstelsel ons echter zitten en is alles wat we geleerd hebben vergeefs. We moeten zelfs de hoop op perfectie in eenvoudige handelingen opgeven. Lopen bijvoorbeeld. Deze week voelde ik bij het hard lopen ineens een scherpe pijn in mijn kuit. Onmiddellijk besefte ik dat het een spierscheur moest zijn. In de zesentwintig jaar dat ik dagelijks ren, heb ik dat nog nooit meegemaakt. Als ik uitga van een zeer behoudende berekening, heb ik in die tijd wat betreft de afstand bijna anderhalve keer de omtrek van de aarde afgelegd. Nooit heeft een spier het opgegeven. Nu hink ik door het huis en ik wijt het aan de pillen die ik slik. Altijd loeren ze op een mogelijkheid om mijn spieren af te breken en mijn vetweefsel te doen toenemen.
"Denk je dat mijn tepels weer groter worden?" vraag ik 's nachts als we het licht in de slaapkamer uit hebben gedaan.
"Ik dacht het wel gemerkt te hebben," antwoordt ze, "maar ik wilde er niet over te beginnen."
Depressief ben ik niet, maar ik heb geen zin meer om te koken en we gaan uit eten. Dat moet troost bieden, nu ik dat in het rennen niet meer vind. Zelfbeheersing is op dat moment onmoglijk en ik bestel een toetje dat tot de rand met troost gevuld is, maar alles in zich herbergt om mijn welzijn voor lange termijn te ondermijnen. Mijn zenuwstelsel heeft werkelijk niets geleerd. Geen perfectie, maar evenmin hoe ik met de plotseling veranderde omstandigheden om moet gaan. Als ik in het restaurant naar het toilet moet, probeer ik zo te lopen dat de andere bezoekers me niet zien hinken. Het helemaal afwikkelen van de voet zorgt er voor dat ik mijn kuit moet strekken en de pijn wordt er niet minder op.
Toen ik opnieuw met de behandeling begon had ik me voorgenomen geen bijverschijnselen te krijgen. Dat zijn immers verschijnselen die je kunt krijgen, maar dat is niet noodzakelijk. Het is natuurlijk ook afhankelijk of je er een beetje gevoelig voor bent. Als ik ze niet wil dan krijg ik ze niet. Inmiddels besef ik dat geen nevenverschijnselen krijgen vooral een kwestie van een grove ongevoeligheid en een afgrijslijk gebrek aan perceptie is. Zelfs de koude handen en voeten zijn terug, zodat ik 's nachts niet meer spontaan tegen Marion aan kan gaan kruipen. Ze zal onmiddellijk ontwaken uit een nachtmerrie waarin de dood met haar de liefde wil bedrijven.
Elke ochtend als ik wakker word, onderzoek ik eerst of ik mijn kuit wat verder kan strekken, zodat ik mijn tweede rondje om de wereld af kan maken. Weer de man die ik eigenlijk ben worden, of - beter gezegd - blijven.
Intussen wil ik niet dat anderen me zien. Hoe mijn lichaam opblaast door de medicijnen, hoe ik strompelend door de supermarkt loop. Dat ben ik niet.
Als ik mijn moeder vanwege het nieuwe jaar bezoek, heeft ze het niet door en een moeder ziet immers alles. Ik loop wat langzamer en neem kleinere pasjes, zodat ze het niet door heeft. Zo'n kunst is dat niet, want ze gaat volgende week naar het ziekenhuis om haar staar te laten behandelen. Ze ziet nu gewoon niets. Tijdens ons gesprek hoor ik vreemde piepgeluiden uit haar richting komen.
"Wat is dat rare gepiep toch?" vraag ik.
Ze hoort me niet en begint over iets anders. Daarom herhaal ik mijn vraag wat luider.
"O, dat is mijn gehoorapparaat," zegt ze. "Niemand ziet het hoor. Op de bridge hebben ze het helemaal niet door."
"Dat geeft toch ook niet," zeg ik.
"Het gaat niemand wat aan," antwoordt mijn zesentachtigjarige moeder beslist. "Dat hoeven de mensen allemaal niet te weten."
Ze heeft gelijk. Ons lichaam gaat achteruit en het is het beste net te doen of er niets aan de hand is. Mijn moeder gaat naar de winkel waar ze het gehoortoestel gekocht heeft om naar het gepiep te laten kijken en op de bridgeclub zullen ze het nooit weten. Ik blijf tegen iedereen die me vraagt hoe het gaat 'hartstikke goed' zeggen. En mijn schoonvader mag de rolstoel houden. De mevrouw van de zorg is ervan overtuigd dat hij niet zonder kan.



Terug