Week 04 -2007
Zaterdagmiddag drie uur. De televisie staat aan. Een kinderprogramma. Mijn schoonvader zit in de luie stoel en kijkt naar kleuters die over hun lievelingsdier vertellen. Daarna worden er cartoons vertoond. Voetbal kan hij niet meer volgen. Teveel mannen die heen en weer rennen. Boksen vindt hij nog interessant. 's Morgens trekt hij zich op, stapt uit bed om gewassen te worden door de verpleegkundige die tegen elven komt. Daarna kleedt hij zich, gaat in de gemakkelijke stoel zitten en als hij 's avonds moe wordt gaat hij terug naar bed. Tussen opstaan en slapen houdt de televisie hem gezelschap. Mijn schoonmoeder kijkt met hem mee. Soms lijkt het of ze op iets wachten. Tot er iemand op bezoek komt, want dan gaat de televisie onmiddellijk uit. Tot mijn schoonvader beter wordt, het leven weer als voorheen wordt. Ja, tot wat….?
Hij heeft slecht geslapen, heeft diepe blauwe kringen onder zijn ogen. De voeten zijn blauw en gezwollen. Met mijn duim druk ik er een putje in, dat niet verdwijnt.
"Hij slikt zijn pillen ook niet," zegt mijn schoonmoeder, die de gelegenheid van ons bezoek aangrijpt om haar punt te maken. Om het te illustreren pakt ze de pillen en reikt ze in zijn richting. Hij reageert kort en snel met zijn hand om haar af te weren. Hij wil niets slikken. Perfect imiteert hij geluidloos haar manier van praten. In de mimiek zoekt hij echter niet de humor maar toont hij zijn ergernis. Dit is zijn leven en hij heeft nog maar zo weinig territorium, waar hij de baas is, waar hij zelf beslist over zijn handelingen. "Laat toch," zeg ik tegen mijn schoonmoeder. "Als hij graag pijn wil hebben, dan mag hij daar toch voor kiezen." Hij kijkt mij aan en pakt zelf de pillen die hij een voor een naar binnen werkt en wegspoelt met wat water.
Hij slaapt niet omdat hij zich zorgen maakt over zijn oudste dochter, Marion's zuster. Na de operatie, die de chirurg als volgt heeft beschreven - "we hebben alles weg kunnen halen en hebben erg ver omhoog moeten gaan om het schoon te maken, het van het sleutelbeen af moeten krabben" - heeft ze vol optimisme de bestralingen ondergaan. Acht weken lang. Toen ik zelf bij de radiotherapieafdeling op controle ging kwam ik haar er onverwacht tegen. Is het grappig dat familieleden elkaar op die plaats tegen komen? We lachten er om.
En nu begint ze aan de chemotherapie. Het is haar allemaal goed uitgelegd, zodat ze weet wat er komt. De haaruitval, de misselijkheid, de zweertjes in de mond, en dan nog meer misselijkheid. Niemand benijdt haar, hoewel ik moet bekennen dat ik af en toe dacht dat het toch heerlijk moet zijn als je na een bestraling nog een mogelijkheid hebt om in ieder geval te proberen iets extra te doen. Misschien blijkt het over een paar jaar wel helemaal bij haar verdwenen te zijn.
Het ziekenhuispersoneel heeft het allemaal ook nog helder op papier gezet. Voor thuis. Ze laat het aan Marion lezen. Die schrikt van het woordje 'uitgezaaid'. Wij sussen ons in slaap met de Engelse term 'advanced', die ik altijd vertaal met 'gevorderd' omdat ik zelf geen zin heb onder ogen te zien wat advanced echt betekent. Zo had die uroloog het aan mij ook verteld en daar hou ik het liever bij. Marion moet huilen, maar wil de moed van haar zus niet ondermijnen met haar tranen. Later vertelt ze me dat toen haar moeder haar vroeg of ik ook chemotherapie had gehad, ze nijdig gezegd had "Gelukkig niet, want dan is het al hopeloos gesteld".
Marion kan zich niet meer concentreren op haar werk en telkens keren haar gedachten terug naar het optimisme van haar zus. Een dag voor de chemo laat die haar haren kort knippen, zodat er niet van die lange lokken uit zullen vallen. De pruik ligt al klaar en ze heeft geoefend door met behulp van fotoshop tulbanden op haar hoofd te zetten en langdurig naar het resultaat te kijken.
"Zal ik je voorlezen?" vraag ik Marion en ik lees uit Naturalis Historia van Plinius de Oudere. Het gaat waarschijnlijk meer om mijn rustige stem dan om de inhoud, hoewel de gedeelten over de gulle moeder aarde prachtig zijn. Moede aarde die zich uiteindelijk over ons ontfermt, ons toedekt, opneemt wat we ook gedaan hebben, wie we ook waren.
In de nacht voor de eerste chemokuur ontvangt Marion nog een sms-bericht. Heen en weer geworpen tussen angst en hoop. Daar komt de boodschap op neer. En 's morgens vroeg is er weer een bericht. Op die eerste dag van haar chemo woedt er een vreselijke storm. Ik kijk naar buiten en zie hoe de bomen heen en weer gezwiept worden, takken breken af en vliegen ver weg, de stoelen liggen op hun kop ver van de plaats waar ze deze zomer vol optimisme de gasten ontvingen, bloempotten vallen met een felle pijnkreet kapot. Overal suizen regenvlagen rusteloos door elkaar. De bevolking wordt gewaarschuwd er niet uit te gaan, want de dood is nooit ver weg. Het nieuws vertelt over twee mensen die in hun auto naar huis reden en ineens een boom boven op zich kregen, over een motorrijder die een hoek om ging en tegen een obstakel op de weg reed.
Het geluid is angstaanjagend. Ik ben blij dat ik de storm niet in hoef en rustig achter mijn computer verhalen schrijvend af mag wachten tot het allemaal voorbij is.



Terug