Week 10 -2007
Als kind weet je niet of je oma en opa van elkaar houden. Het interesseert je ook helemaal niet, want opa's en oma's zijn zo ongelooflijk oud, dat ze op geen enkele manier met passie in verband te brengen zijn. Voor een kind beperkt de plaats van grootouders zich tot een tijdelijke hoofdrol gedurende logeerpartijtjes.
Ik logeerde vooral bij mijn grootouders van vaderskant. Op een of andere manier waren de kinderen verdeeld. Mijn moeder bemoeide zich met de vier jaar jongere tweeling en daardoor logeerden zij vaker bij haar ouders. Mijn vader ontfermde zich wat meer over mij, met tot gevolg dat ik regelmatig in zijn ouderlijk huis verbleef.
Ik denk niet dat mijn grootvader van mijn grootmoeder hield. Nooit zag ik dat hij lief voor haar was, terwijl zij de hele dag bezig was hem te verwennen met potten zelfgemaakte bessenjam, knödels en grote koppen koffie. Mijn oma sliep niet bij mijn opa op de kamer, omdat ze snurkte. Dat ze elk een eigen kamer hadden hield voor mij in dat ze elk een eigen leven leidden. Op haar tenen liep ze door het huis als mijn grootvader inspiratie had, naar operamuziek luisterde of hoofdpijn had. Hij mocht vooral geen last van haar hebben. Op vakantie ging hij meestal met andere, jongere vrouwen. Zo was hij gewoon, omdat hij schilderde. Kunstenaars zijn anders, hebben iets met veel partners en kunnen beter alleen leven, want behalve liefde voor zichzelf voelen ze uitsluitend liefde voor de kunst.
Bij mijn andere grootouders was het niet veel beter. Die opa was machinist geweest bij de Nederlandse Spoorwegen op een grote locomotief. Hij toonde vaak vol trots een foto van hemzelf naast 'de lok', zoals hij dat noemde. Al jong werd hij echter ontslagen omdat hij doof werd, naar verluidt omdat zijn jongere broer die slechts rangeerder was het aan de directie had verraden. Toen ik klein was, had hij al last van de wanen van de doven, leefde in zijn eigen wereld en hij was een merkwaardige man. Mijn moeder vertelde dat hij een slechte dronk 'over zich' had en dat hij mijn oma slecht behandelde, maar van geen van beide eigenschappen had ik zelf ooit iets gemerkt.
"Het is dat hij mijn vader is," zei ze regelmatig. "Anders zou ik hem nooit meer willen zien. Hij heeft mijn moeder zo veel verdriet gedaan."
Zijn opvallendste eigenschap was zijn ongelooflijke zuinigheid. Gierig noemde mijn moeder het. Waarom zou je een tafelkleed gebruiken als je ook van een oude krant kon eten? De kool en spruitjes die hij in zijn achtertuin verbouwde gaf hij eigen mest, en het spaarde water bij het doortrekken als hij gewoon in zijn tuintje op de hurken ging. Alles raapte hij van straat op en nam het mee naar huis. Touwtjes, ijzerdraadjes, oude spijkers en schroeven. Hij ging altijd te voet, want een buskaartje kopen vond hij een te grote uitgave. Na veel aandrang van verschillende kanten was hij overgegaan tot de aanschaf van een gehoortoestel, maar hij had er geen geld voor over daar ook batterijen voor te kopen. Het had tot gevolg dat hij zowel met als zonder zijn toestel nooit iets van een gesprek kon volgen. Je moest tegen hem schreeuwen om hem iets uit te leggen, en dan nog verstond hij je meestal verkeerd. Die zelfde zuinigheid leidde er ook toe dat de kachel nooit al te warm werd opgestookt en dat 's avonds het licht uitbleef.
Toen mijn grootmoeder de ziekte van Parkinson kreeg en verzorgd moest worden, had hij ook geen geld over voor de verzorging. Dat deed hij zelf wel. Telkens de lakens waarin ze 's nachts plaste wassen vond hij te veel kosten met zich meebrengen en vaak deed hij haar het gebit onderste boven in de mond. Zelf kon mijn grootmoeder door haar ziekte het er niet meer uit halen en soms bleef ze uren lang met haar ondertanden boven in haar mond zitten. Mijn moeder ging elke dag naar het huis van haar ouders om haar moeder te verzorgen. Misschien kwam het daardoor dat ze een steeds grotere hekel kreeg aan haar vader.
Ik deelde dat gevoel van weerzin jegens mijn dove grootvader niet en vond hem aandoenlijk. De verhalen over zijn slimmigheden om bijvoorbeeld naar recepties te gaan, zich voordoend als een genodigde en dan zoveel mogelijk jenever te drinken, maakten me aan het lachen. Ik bewonderde zijn boerse brutaliteit. Bovendien wist ik nog niet zo zeker of mijn grootouders van moederskant niet van elkaar hielden. Waarschijnlijk was ik ook de enige die reden had te vermoeden dat ze door diepe genegenheid met elkaar waren verbonden.
Toen ik eindelijk eens een keer bij hen logeerde, mocht ik bij hen in het grote bed slapen. Mijn oma was nog gezond en mijn opa zo sterk als een beer. Hij lag rechts in het bed, mijn grootmoeder in het midden en ik helemaal links. Om stroom te sparen gingen ze toen het donker werd naar bed, tegelijk met mij. Boven ons verspreidde het peertje met de trekschakelaar een zwak licht.
"De trein gaat vertrekken," zei hij. "Machinist bent u klaar?"
"Ja," zei mijn grootmoeder.
"Daar gaat-ie," antwoordde grootvader, liet een luide scheet en trok aan de lichtschakelaar waardoor het volledig donker werd. Net voor het licht uit ging zag ik mijn oma gelukkig lachen.
Geen idee wat onze kleindochter voor herinneringen aan haar logeerpartijen bij ons over zal houden en wat voor indruk ze krijgt van de relatie tussen Marion en mij.
Ik speel met Helena op de vloer in onze bibliotheek. We proberen een zo hoog mogelijke toren te bouwen. Marion kijkt vertederd toe, komt bij ons en legt haar hoofd op mijn been. Helena verstijft en kijkt haar oma doordringend aan. Omdat het niet resulteert in het gewenste effect, duwt mijn kleindochter met haar handje en met een donkere blik vol pijn heel zachtjes Marion weg. Tot ze aan de andere kant van de blokkentoren zit, zeker anderhalve meter bij mij vandaan. Af en toe controleert Helena of we wel ver genoeg van elkaar verwijderd zijn. Omdat ze het wat zielig voor Marion vindt, trekt Helena met voorzichtige vingers haar grootmoeder een klein beetje terug, maar ze zorgt dat er voldoende afstand tussen haar opa en oma blijft. We zijn er voor haar en niet voor elkaar.
Klaarblijkelijk interesseert het haar niet of haar grootouders samen iets hebben. Dat is alleen maar lastig. Ze wil aandacht van allebei en het spook van de jaloezie dat de mens zijn hele leven op de meest ongewenste momenten besluipt, zorgt er nu al voor - terwijl ze nog niet eens zeventien maanden is - dat ze ons uit elkaar wil houden.



Terug