Week 11 -2007
Als ik de keuken binnen loop zie ik Marion aan de tafel huilen. De telefoon staat naast haar.
"Dat rode spul komt uit haar ogen, uit haar neus," zegt ze. "Het zit in haar zweet, in haar urine. Alles is rood."
Haar zus heeft gebeld. Het was de derde chemo die ze onderging. Het lichaam raakt uitgeput. Er zijn bloedtransfusies nodig omdat er geen nieuwe bloedcellen meer worden gemaakt. Moe, altijd moe.
"Ze zegt dat ze ruikt naar verval," zegt Marion. "De geur komt overal vandaan. Het lijkt op ontlasting. Zelfs uit haar mond."
Marion was veertien, ik was achttien. Ze liep over het schoolplein achter onze HBS. Het kwam niet in mijn hoofd op om haar te benaderen, bang om afgewezen te worden. Waar ik haar ook zag, altijd moest ik naar kijken kijken, zoals het onmogelijk is om je ogen af te wenden van jonge paarden in de wei of dieren in het bos. Ik zag haar in het zwembad, achter het loket van de bank waar ik mijn geld bracht omdat ze daar een vakantiebaantje had, achterop de fiets bij een jongen die volgens mij het niet verdiende haar tere billen op de bagagedrager te hebben, en een keer onder een grote boom pratend met een groep meisjes. Gek dat ik me alle momenten nog herinner voor ze werkelijk in mijn leven stapte en we met elkaar spraken. Eén van de meisjes met wie ze daar stond was haar evenbeeld. Diep zwart haar, bruine huidskleur. Alles alleen wat ronder. Dat moest een zus zijn, iets ouder dan zij.
De zelfde zus waarover Marion nu zegt: "Waarom moet ze dat allemaal meemaken?"
Er is geen reden, alleen dat we eerst jong zijn en alles voor ons hebben maar dan verrast worden door het besef dat plannen maken voor de toekomst niet meer vanzelfsprekend is. Daartussen gebeurt het en ik weet zelfs niet helemaal zeker of die twee momenten ook maar iets met elkaar te maken hebben. Ons leven is een aaneenrijging van toevallige gebeurtenissen van iemand waarover in een paspoort wat details staan, die bewijzen dat het om de zelfde persoon gaat.
"Wat moet ik zeggen?" vraagt Marion, die weet dat alles snel een cliché wordt waardoor het lot nog grauwer lijkt, of een leugen die het allemaal in een vals daglicht stelt. "Ik kan alleen maar luisteren en laten merken dat ik van haar houd."
Aan het begin van de behandeling heeft ze de gebruiksaanwijzing ontvangen. Twee keer de wc doorspoelen als je geweest bent en laat niemand met je zweet en tranen in contact komen. Het is allemaal zo giftig. Maar wat moeten we dan delen als het niet ons bloed, zweet en tranen zijn? Woorden zijn nooit genoeg; die geven we gemakkelijk weg. Juist als we het zo hard nodig hebben worden we buiten de gemeenschap van de levenden geplaatst.
Ik betrap me er op dat ik het gesprek niet prettig vind. Er moet reden zijn om te blijven geloven dat het leven mooi is. Liever word ik niet meegevoerd in de neerwaartse spiraal van de wanhoop. Ik denk bij voorkeur aan Marion en haar zus onder die boom op een zonnige dag in het voorjaar. Veertien en zestien zullen de zusjes geweest zijn. Er reden geen auto's door die straat. Er was toen nooit verkeer en de zon scheen altijd.
Jammer genoeg moet ik bekennen dat ik sinds de chemokuren begonnen maar één keer bij haar op bezoek ben geweest. Om te koken. Ik weet dat nu al haar haren zijn uitgevallen, maar heb het nooit met eigen ogen gezien. Via de telefoon wil ik met haar praten, maar niet te veel. Is dat ontkenning?
Vanaf het eerste moment dat ik de boeken van Kübler-Ross las over de fasen waar de stervenden door moeten, had ik er intuïtieve weerzin tegen. Op academische wijze naar de pijn van anderen te kijken en doen alsof mensen er niet aan kunnen ontkomen die vijf stappen te maken. Van ontkenning tot aanvaarding. Onzin. Het hele leven is ontkenning van de dood. Vanaf de eerste dag. Het is geen fase, het is het leven zelf waarbij we moeten geloven dat het allemaal ergens goed voor is, dat het leven mooi en de moeite waard is. Wie de dood niet ontkent is ook niet bezig te leven en hoe sterker onze behoefte om te leven is, des te groter is ook het verlangen om ons vast te houden aan schoonheid en vreugde.
Ik werk harder dan ooit in mijn hele leven, neem meer projecten aan dan voorheen. Niet omdat ik in de fase van ontkenning zit, maar omdat ik van mijn leven houd. De geur van verval herinnert me aan iets anders en dat komt me nu even niet zo uit.
"Ik mag niet huilen als ze me aan de telefoon heeft," zegt Marion.
Hoe vaak houdt ze haar tranen voor mij verborgen?
Buiten begint het voorjaar. Twee jonge eekhoorntjes spelen tikkertje. Ze klimmen in de boom en verstoppen zich achter de stam. Razendsnel draaien ze om de boom heen. Even weg en weer in het zicht. Eekhoorns denken nooit na over dood gaan, maar die weten ook niet wat een chemokuur is.



Terug