| Week 13 -2007 Tijdens het eten vist Marion de stukjes tomaat uit de sla en legt die op mijn bord. Tomaten zitten vol lycopeen en dat is goed voor mannen met prostaatkanker. Aanvankelijk at ik veel tomaat. Waar het maar kon bestelde ik tomatensap. Tomatensoep, borden vol. Ik at tomaten op mijn brood. Met zout en peper. Voor het avondeten werden ze zacht in de oven en kregen een beetje Balsamico azijn over zich heen. Bij een bijzonder dineetje maakte ik tomatenijs. Alles is mogelijk met tomaat. Zelfs tomatenketchup bleek gezond te zijn. Trostomaten, wilde tomaten, vleestomaten, Cherry tomaten, Romaatjes en Tasty Tom. En natuurlijk in allerlei varianten door de sla. Op een dag had ik er geen zin meer in. Ik wilde felrode wilde zalm op mijn brood, rode wijn drinken in plaats van dat rode sap en ijs liever helemaal niet meer, zeker geen tomatenijs. De dozen met tomatensap die ik bij de supermarkt had gekocht bleven in de deur van de ijskast staan tot er op het rood een witte schimmellaag ontstond, iets dat ik pas ontdekte als ik weer de moed verzameld had een glas sap te drinken. Het was uit tussen de tomaten en mij en ik begon lycopeenpilletjes te slikken, hoewel ik las dat je voor een gunstig effect beter verse tomaten kunt eten. Minstens een paar kilo per dag. Daarom moedigt Marion me aan door zwijgend alles wat op tomaat lijkt uit haar eten te vissen en bij mij te leggen. Het zijn de rituelen die behoren bij onze wens om samen oud te worden. Als ze het niet meer zou doen, betekende het ongetwijfeld dat het voor Marion zo wel genoeg is en dat ik mag vertrekken. Zolang de rand van mijn bord echter tomatenrood wordt, weet ik dat ze me bij zich wil houden en ik zal mijn best er ook voor doen. Dat klinkt vreemd. Alsof je zelf iets aan je lot kunt veranderen. Natuurlijk kan dat niet. Daar is het lot het lot voor. Het valt niet te ontlopen. Mensen proberen het, maar het is uitgesloten. Het is als met het gedicht 'de tuinman en de dood' van P.N. van Eyck (1887-1954). Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik, mijn woning in: "Heer, heer, één ogenblik! Ginds in de rooshof snoeide ik loot na loot, toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood. Ik schrok, en haastte me langs d'andere kant, maar zag nog juist de dreiging van zijn hand. Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan, voor de avond nog, bereik ik Ispahaan". Vanmiddag - lang reeds was hij heengespoed -, heb ik in het Cederpark de Dood ontmoet. "Waarom," zo vraag ik want hij wacht en zwijgt, "Hebt gij vanmorgen vroeg mijn knecht gedreigd?" Glimlachend antwoordt hij: "Geen dreiging was 't waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast, Toen 'k 's morgens hier nog stil aan het werk zag staan, die ik 's avonds halen moest in Ispahaan." Het maakt niet uit, waar ik naar toevlucht. Diep in me weet ik echter, dat als het me niets meer kan schelen en ik opgeef het leven te koesteren, ik me 's morgens al in mijn eigen tuin laat verrassen en Ispahaan nooit zal zien. Laat Marion mij die tomaten maar geven. We lopen samen door Duitsland, waar er vlees van Hirsch en Schwein met Spätburgunder en Rotkohl op de menukaart te vinden zijn en af en toe een forel of zalm. Tomaten liggen slechts ter decoratie op het bord. Garnituur en niet meer, alsof de Duitsers in hun prostaat geen kanker krijgen. Het maken van lange wandelingen is eveneens een ritueel dat we koesteren om samen het beste uit het leven te halen. We stappen door velden en over bergen om ons sterker dan welk gezwel ook te voelen. "Wat wil je in Duitsland?" vragen mensen me. Ik kan geen behoorlijk antwoord op die vraag geven. De vallei waar we lopen is misschien de zelfde als waar mijn eerste buitenlandse vakantie zich afspeelde. Ik herinner me de naam van de rivier niet meer en mijn moeder evenmin. Het was 1960 en Nederland ging de wereld ontdekken. Met een imperiaal op de auto waarop een bungalowtent ligt gaan mijn klasgenoten naar het Garda- of Comomeer. Ver weg, waar het vreemde lonkt. Knoflook, salami en Chiantiwijn. Mijn ouders willen echter naar Duitsland en mijn vader heeft de vijf persoonstent zelf gemaakt. De tentstokken liggen als de lansen van toernooiridders boven op de Opel Record. "Weet je nog," zegt mijn moeder als ik haar over onze wandelplannen vertel, "dat we daar door het bos liepen en een beer zagen. "Stil," zei je vader. We durfden niet te bewegen. Het bleek een monnik in een bruine pij met een grote baard te zijn." De wijde wereld was vol beren op de weg en op dat moment had ik nog niet eens alles gezien. El Salvador vijfentwintig jaar geleden, waar ik Kaja's hoofd in de bus omlaag duwde opdat hij de lijken van de jongens die 's nachts door de doodseskaders waren neergeschoten niet zou zien. De mijnenvelden in Cambodja, waar de kinderen die verstoppertje spelen hun benen verliezen. De tunnels van de Vietcong, waar de chirurg met wie ik werkte me vertelt over hoe ze de Amerikanen voor de gek hielden. De wereld bleek veel groter te zijn dan die van de Wandergesellen van Herman Hesse, de jongens die van elkaar hielden en langs de witte huizen met de strakke zwarte balken liepen. Een eenvoudige overzichtelijke wereld. Onderweg naar een onbekende maar ongetwijfeld mooie toekomst, dromend over een lief meisje dat zorgvuldig stukjes tomaat op je bord legt in een poging je in leven te houden. Terug |