| Week 17 -2007 Hij had het nog maar net gehoord. Prostaatkanker met uitzaaiingen. Als een vogeltje dat tegen het raam gevlogen is lag hij in het bed in de huiskamer en iedereen vreesde dat het zijn sterfbed was. Toch hield hij iets vorstelijks. We konden hem niets weigeren. Dus toen hij de folder met horloges die via de post was ontvangen aan ons liet zien en mijn schoonvader ons er op één in het bijzonder wees, besloten we het op een zondagmiddag voor hem te kopen. Zo lang ik hem ken was hij altijd blij als je cadeautjes voor hem meebracht, tastbaar bewijs van affectie. Met de folder in de hand gingen Marion en ik de ene na de andere winkel in, maar onverrichter zake kwamen we telkens weer buiten. "U moet naar de Tommy Hilfingerzaak in de PC Hooftstraat," zei uiteindelijk iemand. Als een kind zo blij was hij met het nieuwe uurwerk. Hij liet het aanvankelijk in het doosje zitten en plaatste dat op het tafeltje naast zijn bed om er vaak naar te kijken. Toen het horloge na enkele maanden niet meer goed liep waren we genoodzaakt om terug te gaan naar die winkel. Ruilen is niet zo leuk als kopen. Zeker niet nu ik het alleen moest doen omdat Marion te druk met haar film bezig was. Natuurlijk was er geen parkeerplaats te vinden. Wat duurde deze boodschap onzinnig lang. Mijn stemming daalde. Was ik nu de beperkte tijd die ik zelf nog had aan het verprutsen met het ruilen van een horloge? "Wat is er precies aan de hand?" wilde de vrouw in de winkel weten. Onmiddellijk besefte ik dat ik beter had moeten luisteren toen mijn schoonmoeder verteld had wat er mis was met het horloge. Het was iets over een wijzer die bleef hangen. "Ik geloof dat het nooit later dan tien uur wil worden," zei ik en onmiddellijk voelde ik me belachelijk. De vrouw riep er een collega bij. Het was alsof ik in de gezondheidszorg was beland en een verward verhaal aan de huisarts had verteld waarop deze de hulp van een specialist inriep. Ik kon er echter niets begrijpelijker van maken omdat ik zelfs de tijd niet genomen had even naar het horloge te kijken. "We zullen hem terug naar de fabriek sturen," zei de dame in de winkel. "Dan kunnen ze er daar naar kijken, maar dat duurt drie maanden." De clientèle van de zaak waar ik me bevond is gemiddeld jonger dan vijfendertig jaar schat ik. Een enkele vijftiger die wil doen alsof hij nog zestien is, belandt misschien af en toe in de winkel. Het gaat in ieder geval om mensen die nog alle tijd van de wereld hebben. "Mijn schoonvader wordt zesentachtig en heeft kanker," zei ik in de hoop dat de dames dan zelf wel zouden begrijpen dat drie maanden wachter op een horloge in die omstandigheden mogelijk net te lang kan zijn. "Misschien hebben we er wel nog zo één in de winkel," zei de oudste van de twee dames. "Dan neemt u die maar mee." Er was er nog een, maar die had een zwarte wijzerplaat en het uurwerk dat ik terugbracht had een witte. "Even mijn schoonvader bellen," zei ik. "Hij is dan toch wel nieuw," vroeg hij ongerust. "Ja," antwoordde ik. "Weet je zeker dat hij nieuw is?" Nadat ik dat bevestigd had gaf hij te kennen dat het hem dan niet uitmaakte of de wijzerplaat zwart of wit was. De dames pakten het horloge keurig in, alsof het een nieuw geschenk was en we van voor af aan konden beginnen aan de tijd die dit horloge te bieden had. "Heeft u de bon?" informeerde de vrouw. "In het doosje." Daar was het echter niet. De goedertierenheid van het winkelpersoneel ging die dag echter zo ver dat ze zelfs bereid waren mij en mijn schoonvader het ontbreken van een rekening te vergeven. Vrolijk verliet ik de winkel. Wat een geluk dat er nog zoveel vriendelijke mensen op de wereld zijn. Zondag zat hij bij ons in de tuin en genoot van zijn achterkleindochter. Mijn moeder was er ook. Helena stapte rond en hun ogen waren voortdurend op haar gericht. Na het eten bracht ik ze naar huis en terwijl ze instapten zei mijn moeder met spijt in haar stem tegen mijn schoonvader: "We zullen nooit meemaken dat ze twintig is." Mijn schoonvader keek haar aan alsof hij verrast was door die opmerking. Misschien kwam het ook omdat hij met zijn gedachten elders was. Het was hem een half uur eerder niet gelukt om op tijd de wc te bereiken. Mijn schoonmoeder hielp hem zich schoon te maken en in een oude trainingsbroek van me was hij vertrokken. Hij had ook schone sokken nodig en ik zocht in mijn kast naar een onderbroek die ik niet meer draag. Omdat Marion en ik een paar dagen niet thuis waren ontdekten we pas bij terugkomst zijn besmeurde lichtblauwe onderbroek in een hoekje van het toilet weggemoffeld. Van de week was hij bij de dokter en daar hoorde hij dat zijn psa verder gezakt is en nog maar één komma vier is, veel minder dan die van mij. Het gaat goed met hem en het lijkt erop of de dag toch wat langer zal duren dan tot tien uur. Terug |