| Week 21 -2007 Op dinsdagen ga ik naar de universiteit en vanuit de auto bel ik dan mijn moeder op. "O, moet je college geven," zegt ze. Mijn moeder denkt dat hoogleraar zijn betekent dat je dan elke week voor de klas staat. Colleges geven hoeft maar een paar maal per jaar en deze week is het weer zo ver. Twee uur lang praat ik tegen een muur van licht gemurmel aan. Tweehonderd jongens en meisjes in de collegezaal, die ervan dromen later bevallingen te doen en levens te redden, weten niet de beleefdheid en het geduld op te brengen om te zwijgen als er over iets anders wordt gesproken. Het is mijn taak uit te leggen over de verwachtingen en beleving van patiënten met een andere culturele achtergrond. Hoe je daar als arts mee om kunt gaan. Ik begin uit te leggen wat cultuur is en zeg dat cultuur het verschil uitmaakt tussen dieren en mensen. Want mensen zijn voortdurend bezig betekenis te verlenen aan wat hen overkomt. Ze zoeken er woorden en metaforen voor, en ze verbinden die met de manier waarop ze eerder geleerd hebben in de chaos van het toeval orde aan te brengen. Niets is angstaanjagender dan wanorde en willekeurigheid. Juist over het lichaam, over ziekte en gezondheid, over geboorte en dood, is de mens onophoudelijk bezig te interpreteren, te verklaren, te verzoenen door betekenis te verlenen. Bij afwezigheid van een microfoon ga ik de hele middag door met te luide stem duidelijk te maken dat je als arts ook slechts onderdeel bent van een cultuur. Hopelijk zijn mijn woorden nog hier en daar bij mensen beland. Na afloop van mijn college komen een jongen en een meisje naar mij toe. "Wij zijn het niet met u eens," zegt de jongen verontwaardigd. "U zegt dat het verschil tussen mens en dier de cultuur is, maar orka's praten met elkaar." In eerste instantie denk ik dat ik voor niets heb staan praten, maar ik kan ze niet teleurstellen en ga serieus op ze in. "Ja, ik zag pas een filmpje van een zwerm spreeuwen," zeg ik. "Ze maakten de vreemdste bewegingen, maar altijd in samenhang, alsof ze één geheel vormden, alsof ze een zenuwstelsel deelden." "Nee," houdt de jongen aan. "Er is meer aan de hand. Als orka's in twee verschillende rivieren zwemmen communiceren ze toch met elkaar." "Goh, wat interessant," zeg ik, knik en ga naar huis. In de auto merk ik dat mijn keel aanvoelt als de Sahara na een lange warme dag. Ik wil even helemaal niets, maar mijn telefoon gaat. "Met je buurman," zegt hij. "Ik wou je even iets geven waar je blij mee zult zijn." De man woont nu anderhalf jaar naast me en ik heb hem één keer bij het hek een hand gegeven. Hij is ook op een avond in het buurthuis geweest waar ik een lezing gaf en voorlas uit eigen werk. Ik weet alleen over hem dat hij luidruchtige zonen, Balinese aupairs in een caravan achter in de tuin en een bloeiende praktijk in alternatieve geneeswijzen heeft. Een half uur later zit hij tegenover me in de keuken. Hij heeft een fotokopie uit een blad genaamd Nexus bij zich. "Ken je het blad?" informeert hij. "Het is erg interessant. Het gaat over UFO's en zo. Die bestaan, want ik heb er zelf een gezien." Het artikel dat hij heeft meegebracht gaat over een man bij wie prostaatkanker is vastgesteld. Hij is opgegeven en wil dat het zo snel mogelijk afgelopen is. Op een morgen hoort hij een stem die zegt dat hij de worteltjes van paardenbloemen moet gebruiken en dat hij dan beter zal worden. Aldus geschiedde en de man is weer in prima conditie. Mijn buurman heeft ook nog een boek meegebracht van een Italiaanse professor die erachter gekomen is dat kanker eigenlijk een infectie met een onzichtbare schimmel is en dat het heel gemakkelijk op te lossen is. Natriumcarbonaatinfusen. Prostaatkanker is helemaal simpel. In twee weken ben je er helemaal vanaf. Omdat er een miljardenindustrie de verkeerde kant op is gegaan met onderzoek en behandeling is de Italiaanse professor natuurlijk lastig. Hij wordt genegeerd en belachelijk gemaakt. "Jij staat geloof ik wel open," zegt mijn buurman. "Ik kan daar wel met jou over praten. Ik heb iets spiritueels en zie dingen. Wil je dat ik voor jou even kijk waar die kanker bij jou door ontstaan is?" Ik ben moe, maar nieuwsgierig naar wat er gaat gebeuren, en knik. Hij zet zijn bril af, sluit zijn ogen, heft het gezicht ten hemel en zwijgt enige tijd. Daarna lacht hij. "Ja, in de geestenwereld wordt veel gelachen," zegt hij. "Het is daar echt geen serieuze boel. Nou, het komt niet uit je jeugd en ook niet uit een vorig leven. Je hebt het in dit leven gekregen. Alles was mooi en goed bij je, maar op een gegeven moment ben je gaan twijfelen of al het goede en mooie wel voor jou bedoeld was." Hij zet zijn bril weer op en spreekt weer gewoon met me. "Wil je soms ook weten wat je eraan moet doen?" vraagt hij. "Natuurlijk." "Ik kan dat beter met een gebaar laten zien, dan met woorden." Even later staat hij in mijn keuken, bril af en met gesloten ogen - en maakt een zwaaiend gebaar met armen en bovenlichaam, waarbij hij telkens lacht. Het houdt het midden tussen tai chi bewegingen en een sirtakidans. "Zo ben jij," zegt hij. "Je hebt zoveel moois en goeds in je hoofd, maar je moet het geven aan de grond. Je geeft niet genoeg aan de aarde waarop je staat." Mijn buurman kijkt ook nog even naar dat ene woord dat mijn hele leven kenmerkt. "Eerlijkheid, zuiverheid," zegt hij. "Herken je je daar een beetje in?" Ik kan me ergere dingen voorstellen die hij over me had kunnen zeggen en ben er dus wel blij mee. Ook ben ik hem dankbaar dat hij in de keuken van een vreemde zijn bril heeft afgezet en dansbewegingen heeft gemaakt. Ik beschouw het als een gebaar van sympathie. Als ik met hem naar het tuinhek loop, vraag hij: "Weet je wat mijn woord is? Erkenning. Ik ben altijd op zoek naar erkenning. Kun je dat aan me zien?" Terug |