| Week 23 -2007 Sommige dagen zijn beter dan andere. Van de week had ik zo'n dag waarop alles uitzichtloos leek en ik kon maar niet traceren waarop het terug te voeren viel. Een lekkage, Marion's problemen met de Nederlandse filmmaffia, de problemen die ik ondervind bij mijn werk op de universiteit? Nee, dat kon het allemaal niet zijn. Pas later die dag herinnerde ik me dat ik 's morgens toen ik naar medisch nieuws op het internet speurde een artikel was tegengekomen over prostaatkanker. In één oogopslag had ik gezien dat het over mij ging. Mannen bij wie de psa snel oploopt en voor wie, welke behandeling ze ook krijgen, hun lot vastligt. Zonder er nog enige aandacht aan te besteden klikte ik snel iets aan over kinderen met overgewicht. Toen ik eenmaal besefte wat me dwars zat, wist ik dat er maar één oplossing was. Teruggaan naar het artikel over de kanker die ik heb en het grondig doorlezen. Elke vervelende zin drie keer in me opnemen. Het is beter vertrouwd te raken met wat een mens kan overkomen. Het verschafte enige verlichting, maar toch hield mijn sombere grondstemming aan. Ik verlangde naar het einde van de dag en wilde naar bed om tegen Marion aan te kruipen, mijn hoofd op haar buik leggen, te slapen en snel een nieuwe dag te beginnen om daar iets moois van te maken. De dood en alles wat ermee in verband gebracht kan brengen is zo zinloos voor mensen die van het leven houden. Toch was het ook dat artikel niet wat me dwars zat. Het was eigenlijk begonnen toen ik met Kaja in Berlijn was. Drie dagen vader-zoon bonding. Veel lopen, fotomusea bezoeken, zelf fotograferen en elkaar het resultaat laten zien, goede restaurants uitzoeken en genieten. Op weg naar Unter der Linden kwamen we zonder dat we dat echt hadden gepland langs het holocaust monument. We keken rond en zagen dat er maar weinig mensen bij de ingang stonden. "Zullen we even naar binnen gaan?" vroeg Kaja. "Waarom niet?" Eenmaal in het museum onder de grond met een koptelefoon op mijn hoofd begon het. Ik ben van negentienachtenveertig en opgegroeid in een tijd dat iedereen oprecht van plan was nooit meer zo iets vreselijks te laten gebeuren. Mijn grootvader en vader spraken niet over die periode en over wat er met de familie gebeurd was, maar ik las wat ik kon vinden om mijn nieuwsgierigheid te bevredigen. Rond mijn veertiende, vijftiende kocht ik van mijn zakgeld eerst Exodus en daarna Mila 18 van Leon Uris. Later De Muur over het getto van Warschau van John Hersey en weer wat jaren later De ondergang van Presser. Was dat mijn voorgeschiedenis? Doordat alles zo onverwacht bij me bovenkomt worden mijn ogen nat. Een foto van twee meisjes van tien en twaalf, die exact op Marion en haar zus lijken, brengt het op gang. Naast elkaar hand in hand, hoofddoekjes om, een beetje bang voor de fotograaf. Afgevoerd en vermoord. In een ruimte waar op de vloer verlichte teksten van slachtoffers als grafstenen vertoond worden, luister ik via mijn koptelefoon naar de tekst die Etty Hillesum op een ansichtkaart schreef die ze uit de trein die haar van Westerbork naar Polen vervoerde, heeft gegooid. Ik kan het niet meer ophouden en het blijft mijn ogen uitstromen. Gelukkig is het donker. Er zijn inmiddels wat meer bezoekers. Ongemerkt probeer ik mijn zakdoek te pakken uit de zak waarin ik net mijn wisselgeld heb opgeborgen. Terwijl ik hem uit mijn zak trek rollen de munten door de doodstille ruimte tussen de tekstzerken. Mensen gaan behulpzaam op de knieën om mij mijn euro's terug te geven. Hopelijk heeft Kaja het niet in de gaten. Een beetje verdwaasd beland ik in de laatste ruimte, waar computers staan. Snel naar buiten, het zonlicht in. Berlijn is een leuke stad. Veel graffiti en dat bevalt me, want het is een bewijs van de vitaliteit van de bewoners die zich niet willen laten begraven in beton en asfalt. Die computers geven toegang tot de database van het Yad Vashem holocaust museum in Jeruzalem. Kaja heeft daar zijn achternaam in getikt en roept me terug. "Kijk eens," zegt hij. "Onze familie." Het zijn er 67. Ik wil weg, maar Kaja klikt ze stuk voor stuk aan. Sara, Philipp, David, Jetje, Leon, Rosetta, Julia, Helena. Elsa, Rebekka. Sommige van hen zijn tussen 1880 en 1895 geboren in St Gallen. Dat zijn de broers en zussen van mijn grootvader. De generatie daarna kwam uit Rotterdam, Amsterdam, 's Gravenhage, Frankfurt. Een ruime variatie aan plaatsnamen. Dat is heel anders voor wat betreft de plaats van overlijden: Sobibor, Bergen-Belsen, Auschwitz. Dit is mijn familie, waar mijn grootvader en vader niet over wilden praten. Liever vergeten en verder gaan, want de dood is zinloos. Slapen, wakker worden, rennen en zorgen dat het nooit meer gebeuren zal: die jacht op hoofddoekjes, andere religies, mensen die er niet uitzien zoals wij. Als ik in een land moet leven waar mensen het normaal vinden dat er haat gezaaid wordt en dat de politie maar met scherp moet schieten als mensen niet doen wat we willen, dan is niet alleen de dood maar ook het leven zinloos geworden. Terug |