| Week 24 -2007 Licht steunend op haar wandelstok loopt ze mijn tuinpad op. Langs de twee konijnen die sinds een paar maanden rond mijn huis wonen. Als ik er slechts een zie, maak ik me onmiddellijk ongerust over de ander. De auto's rijden hier in de buurt ook zo snel. Ik moet er niet aan denken dat ik het dier op een ochtend wanneer ik hard ga lopen als een bloederig plakkaat op het wegdek aantref. Via een email heeft ze gevraagd of ik bereid ben een interview te geven voor haar website. Het is een site voor mensen met kanker. Het liefst weiger ik zulke verzoeken omdat ik niet aangesproken wil worden op wat me nu net het minst interessante over mezelf lijkt. Bovendien is het voor haar rubriek 'helden', iets waarin ik me niet thuis voel. Een held? Alleen mensen die nooit opportunistische keuzen maken komen misschien in aanmerking voor het predikaat heldenmoed, maar het is naar mijn mening onlosmakelijk verbonden met onnozelheid en een blinde vlek als het op de realiteit aankomt. Haar website heet mayday mayday en ze schreef dat ze een lotgenoot van me is. Mensen die net als ik kanker hebben en het woord niet willen gebruiken, noemen zich lotgenoten als ze met me praten, of collega's. Alsof ik tegenwoordig tot een heel andere gemeenschap behoor. Het is niet echt de leukste club om bij te horen, maar in haar mail klonk ze sympathiek en daarom stemde ik toe. Ze is een stuk jonger dan ik. Het valt me op dat ik net zo wreed als alle andere mensen ben. Als ik hoor dat iemand kanker heeft begint mijn gevoel voor compassie pas echt te werken als ik weet dat ze jonger zijn dan ik. Voor iedereen die ouder is blijft mijn medegevoel beperkt. Je moet toch ergens aan dood gaan en wees blij dat je zo oud geworden bent. Haar stok zet ze opzij en ze gaat met een ernstig gezicht tegenover me zitten. Dit gaat een serieus interview worden. De vrouw begint met een soort beginselverklaring. Mensen met kanker zijn nog niet afgeschreven. Ze leven en willen daarom net zo behandeld worden als anderen. Er moet over gesproken kunnen worden. Geen discriminatie van kankerlijers. Natuurlijk. Ik merk het ook. De wetenschap dat ik kanker heb lijkt voor anderen soms indrukwekkender dan de eerlijke blik in mijn blauwe ogen. Kanker blijft een woord dat het rijk van de onbegrensde tijd scheidt van de onderwereld waar niemand naar toe wil. Het is de Styx waar het domein van de onbekommerde veilige toekomst tot in eeuwigheid van dagen overgaat in de duisternis van het niet meer zijn. Aan de oever van die grensrivier krijgen we van dokter Charon een munt - een obool - in onze mond mee met de letter K. Mensen worden nerveus als ze ermee geconfronteerd worden. Dat is vanzelfsprekend. "Je kunt de anderen dat niet kwalijk nemen," zeg ik. "De mens kan niet anders. Die is niet gemaakt om altijd met de dood bezig te zijn. Om zonder angst te leven moet je alles wat met het einde van het leven te maken heeft zo veel mogelijk verdringen." Al snel raken we in een geanimeerd gesprek over de onwetenden zonder kanker. Over de onhandigheid die ze overvalt. Over hun aanmoedigingen dat je moet vechten, terwijl je vaak alleen maar bezig bent te wennen aan de nieuwe situatie. Over de mensen die verwachten dat je dramatisch doet omdat je een ziekte hebt waar je aan dood zult gaan. We lachen om de mensen die vragen hoe het met je gaat en dan teleurgesteld zijn als je niet iets indroevigs te melden hebt. "Nee, hoe gaat het nou echt met je?" informeren ze nog eens met nadruk. Alsof je iets van je grote lijden voor ze achterhoudt terwijl ze er recht op hebben dat te horen. "En wat vind je van al die mensen die zo graag vreselijke verhalen over kanker vertellen?" vraag ik haar. "Pas hoorde ik er een over een man die twee gezwellen had, één in de darm en één in de nier. Hij moest via twee operaties geholpen worden. Na de tweede ingreep zat de chirurg aan zijn bed toen hij uit de narcose kwam. Hij had iets ergs te vertellen. Per ongeluk had hij tijdens de eerste operatie de pancreas voor de kanker aangezien en die eruit gehaald." We lachten er om. "Mensen hebben zulke verhalen nodig," zeg ik. "Of ze nu werkelijk gebeurd zijn of niet. Ze vertellen die verhalen om zich goed te voelen. Het kan altijd nog erger dan wat je in je eigen leven meemaakt. Je slechte relatie, je vervelende baan, alle pech die uitgerekend jou altijd overkomt, je voetbalclub die verloren heeft, het is niet zo erg als twee gezwellen. En zeker niet zo erg als bijkomen en een arts zien die opbiecht dat hij je pancreas er per ongeluk uit heeft gehaald." Toch maakt de vrouw zich zorgen over een omgeving waarin de anderen je afschrijven en dat in hun communicatie aan je laten merken. "Je hebt het zo nodig dat je er zelf in blijft geloven," zegt ze. "Vier jaar geleden gaven ze me op. Ik zou nog een paar maanden hebben. Ik wilde het niet en juist als je gewoon je leven blijft leiden, dan red je het. Al die behandelingen zijn lang niet zo belangrijk als je eigen wil. De wereld om je heen moet je daarbij niet dwars zitten." In haar ogen meen ik de morsetekens te zien. S.O.S. S.O.S. Help me doen of er niets aan de hand is. Laten we erover praten alsof het niets voorstelt. "Je moet ook blijven bewegen," vertelt ze me. "Ik heb altijd hard gelopen. Halve marathons. Nu met die uitzaaiingen in mijn wervels gaat dat niet meer goed. Maar ik ben weer in training." Na het interview loopt ze met rechte rug op haar wandelstok leunend over mijn tuinpad terug naar haar auto. Langs de konijnen. Gelukkig zijn ze er nog alletwee. Terug |