| Week 27 -2007 Ergens bij Woerden, in een boerderij tussen sloten en weilanden, is Marion bezig met het maken van haar film. Zeventig Indo's kruipen - als ze toevallig niet net aan de beurt zijn voor opnames - bij elkaar in een grote tent om de juniregens te ontlopen. Daar zingen ze met de kinderen en vertellen elkaar verhalen over wonderbaarlijke gebeurtenissen in de voormalige kolonie en over de geesten van de voorouders. Ik kom wat foto's maken en omdat ik nieuwsgierig ben naar wat Marion aan het scheppen is. Er is thee en uit nostalgie eet ik daar twee spekkies bij. Op vrijdag kwam de man van de Végé met een doos boodschappen en daarin zat ook standaard een plastic zakje met zes spekkies. Met de roze met gele snoeperij in m'n hand vertel ik hoe ik vroeger de flatgevel beklom, en op het balkon gekomen door het raam boven de keukendeur naar binnen glipte om de spekkies die mijn moeder in het keukenkastje had gelegd, weg te halen. Ik had geleerd ze allemaal in een keer op te eten, omdat de kans op ontdekking dan het geringst was. Daarna verdween ik gewoon door de voordeur. Een geboren inbreker die alle sporen uitwist. Het verhaal kon echter niet op tegen de prachtige geschiedenissen die in de tent rondgingen en toen iemand mij vroeg of ik ook Indisch was, antwoordde ik "Nee, ik ben niet Indisch, maar ik ben wel een reďncarnatie van een belangrijke man uit voormalig Indië." Het leek me dat in de sfeer die er was zo'n opmerking onmiddellijk geaccepteerd zou worden, maar nee, uitgerekend ik moest uit leggen wat ik bedoelde, en ik vertelde over Mommy. Mommy was ooit ergens op visite, toen mijn schoonvader daar op bezoek kwam. Na afloop kwam hij enigszins ontdaan thuis en vertelde dat Mommy toen hij binnenkwam onmiddellijk was begonnen hem te vertellen wie hij was en wat hij allemaal in zijn leven had meegemaakt. Het was nog al raak geweest. Ze had bovendien gezegd dat hij een bijzondere dochter had die boeken schreef en dat ze die graag wilde ontmoeten. Ik was daar niet zo van onder de indruk, want zo veel mensen wisten dat Marion schrijfster was. Helderziendheid was overbodig. Kort daarna kwam Mommy op bezoek bij mijn schoonouders en ook Marion en ik waren aanwezig. Bij iedereen die op die middag binnenkwam begon ze onmiddellijk te praten. Ongevraagd kwam er een stroom woorden uit haar mond en het was meestal erg confronterend. Ik moest er regelmatig inwendig om lachen. "Jij wilt altijd gelijk hebben en zou moeten leren je mond vaker te houden," zei ze tegen iemand. En tot een ander zei ze: "Jij bent net een papagaai. Je kletst alleen anderen na." Nog nooit had ik zo iemand ontmoet. Het was alsof ze iedereen terecht kwam wijzen en ik had geen idee waar ze het vandaan haalde. Bij mij vielen haar woorden gelukkig mee en ik vond het zelfs een aantrekkelijke gedachte te fantaseren dat ik ooit in een vorig leven in Indië geweest was, hoewel ik me daar niets van wist te herinneren. Wie weet heette ik Eduard Douwes Dekker en had ik toen ik in Padang werkte een dertienjarige geliefde die Si Oepie heette. Misschien was Marion wel de wedergeboorte van Si Oepie en was het vanzelfsprekend dat we elkaar weer gevonden hadden op de HBS in Amersfoort. Ik had natuurlijk net zo goed van Heutsz kunnen zijn geweest. In dat geval was Marion waarschijnlijk een reďncarnatie van een Aceh'se vrouw die ik in dit leven was tegengekomen opdat we samen alles wat er mis was geweest tussen Nederland en Aceh goed konden maken. Mommy vertelde me bij die gelegenheid ook dat ik rond mijn vierenvijftigste een ernstige crisis in mijn gezondheidssituatie mee zou maken, maar dat ik daar weer helemaal bovenop ging komen. Dat leek me onzin, want ik leefde gezond en aan mijn hart zou ik het beslist niet krijgen. Toen we haar leerden kennen was Mommy vier- of vijfentachtig. We hebben haar opgezocht in New York waar ze in Queens bij haar dochter in woonde. Het was in 1980. De televisie stond voortdurend aan omdat ze anders beelden van mensen en het leed dat ze met zich meesleepten zag en daar werd ze zo moe van. Het kostte haar vooral veel moeite alles in te houden en niet te vertellen wat ze binnenkreeg; die mensen te waarschuwen en te helpen. We hielden contact, maar op een geven moment hoorden we nooit meer iets van Mommy. Sinds de dokter me vertelde dat ik prostaatkanker heb, denk ik vaak aan haar woorden. Ik wil al mijn scepsis ten aanzien van bovennatuurlijke verschijnselen laten varen, als ze gelijk mocht hebben over die gezondheidscrisis die ik te boven kom. Was er maar een teken dat me zou kunnen helpen haar te geloven. Ik heb dat teken gekregen op 11 september 2001, hoewel ik toen nog niet eens wist dat ik kanker had en er niet aan toe was het grotere verband te zien en te begrijpen. Tijdens ons bezoek aan Mommy in New York vertelde ze dat ze in die periode steeds beelden kreeg van 'die twee hoge gebouwen' die zomaar langzaam in elkaar zakten terwijl de mensen die er werkten eruit sprongen. Ze had haar schoondochter die er werkzaam was gezegd dat ze van baan moest veranderen, maar die luisterde niet. Ze had de gemeente geschreven zodat die de funderingen en de bouwconstructie kon laten controleren, maar het haalde allemaal niets uit. Misschien luisterde er helemaal niemand naar Mommy en het enige dat ze kon doen was de televisie nog maar iets luider zetten. Tegenwoordig besef ik dat haar woorden ook alleen maar voor mij bedoeld waren. Voor mij en niemand anders. Daar in Woerden heb ik me de moeite bespaard dat allemaal precies uit te leggen. Het is te wonderlijk, zelfs voor zeventig Indo's in een tent op een weiland. Terug |