| Week 29 -2007 Kankerlijers herkennen elkaar. Ze vormen een geheime gemeenschap. Tussen de andere mensen gaan ze zo goed het kan hun gang. Zoals de eerste Christenen in het oude Rome het van elkaar wisten door het ictusteken, het logo van de vis van hen die het hiernamaals zullen erven, zo herkennen mensen met een kwaadaardig gezwel hun lotgenoten als ze bij de bakker op hun beurt wachten of als ze op de baan staan van de tennisvereniging. Het zijn meestal kleine tekenen, niet te zien voor buitenstaanders. Zo vertelt Marion's zus hoe ze bij de Bijenkorf van sommige vrouwen een bemoedigend knikje krijgt en een echtgenoot van een vrouw die van ver naar haar lacht komt naar haar toe om te zeggen dat zij het ook hebben meegemaakt en dat het vast in orde gaat komen. Als één op de negen vrouwen borstkanker krijgt, moeten ze ook wel die grote hoed die het kale hoofd bedekt zien. Ze weten waar de kwetsbare blik van iemand die gelukkig is om kleine voor anderen onbetekenende dingen vandaan komt. Zelf sta ik soms lang in mijn tuin te zoeken naar de konijnen die er sinds dit voorjaar wonen. Het waren er twee, maar waarom zie ik er tegenwoordig nog maar een? In de wachtkamer bij de uroloog herken ik ze ook. De aangeslagen mannen die er voor het eerst zijn. Ze weten niet meer wat ze moeten zeggen. Hun vrouw heeft daarom de leiding genomen en doet het woord. Ze staat met de papieren die ze zojuist van de dokter gekregen heeft in haar hand en maakt bij de receptie een afspraak voor de vervolgonderzoeken. Ze kijkt bezorgd opzij naar hem en als ze ziet dat hij heel even kijkt lacht ze bemoedigend. Hij staat daar - machteloos -, buigt zijn hoofd snel weer en kijkt naar de grond. De oudgedienden, die voor de zoveelste controle komen, gedragen zich heel anders. Ze kijken rond om te zien of iemand een gesprek wil beginnen. De klok tikt hun leven weg en ze willen een unieke ontmoeting niet mislopen. Als niemand terugkijkt, begint de man die naast me zit tegen een kind dat nauwelijks kan lopen te praten. Het jongetje kijkt alleen maar. Tegen de moeder zegt de man: "Zeker een maand of vijftien, zestien." De vrouw zegt "Ja," op een manier die aangeeft dat er van haar voor wat betreft een gesprek met een vreemde man weinig te verwachten valt. "Dat dacht ik al," zegt de man. "Dan zijn ze nog wat onzeker. Tegen de tijd dat ze twee zijn lopen ze helemaal los en gaan waar je ze zelfs niet meer in de gaten kunt houden. Dan lopen ze verder hun hele leven waar ze willen en denken misschien later soms wel dat het beter was geweest als ze nooit hadden leren lopen." De moeder zegt zacht tegen haar zoontje: "Kom maar bij mama." Ik zit in die wachtkamer en probeer me op mijn boek te concentreren. Elke keer dat mijn arts een patiënt komt roepen, kijkt hij me verontschuldigend aan. "Ik loop al een half uur uit," lipspreekt hij naar me. Het geeft niet. Ik heb mijn boek bij me. Als ik eindelijk aan de beurt ben, vraagt hij me "Heb je het al bekeken?" Hij heeft me uitgelegd hoe ik in de computer van het ziekenhuis kan komen om mijn eigen gegevens daarin te bekijken. Daar heb ik geen zin in. Het moet gebeuren zoals bij iedereen. Ik laat mijn bloed prikken en twee weken later tijdens een gesprek vertelt hij me wat dat heeft opgeleverd. Dan vraag ik hem of hij nog op vakantie gaat en waar hij met de kinderen naartoe gaat deze zomer, en hij informeert waar ik nu aan werk en dan leg ik uit hoe druk ik ben. Ergens daartussen in noemt hij de getallen waar het om gaat. "Stabiel," zegt hij. "Over vier maanden maar weer." Als ik het ziekenhuis verlaat weet ik niet of ik blij moet zijn. Het is alsof ik met justitie in aanraking ben gekomen en mijn gedrag regelmatig beoordeeld wordt. De reclasseringsambtenaar ziet aan de hand van de schommelende bloedwaarden wat ik gedaan heb en geeft zijn oordeel. Ik kan wat hem betreft weer vier maanden mijn gang gaan. Maar het is voorwaardelijk. Nooit zal ik nog een keer dat ziekenhuis verlaten met de boodschap dat ik onvoorwaardelijk ben vrijgesproken. Via mijn mobiele telefoon sms ik 'vijf komma een' naar Marion en voeg daar later nog 'Mooi zo' aan toe. Ze mocht eens twijfelen. Het is goed nieuws, want het had slechter kunnen zijn. Terug |