Week 34 -2007
Onlangs werd ik geïnterviewd over hoe de kanker in mijn prostaat en ik samen in het zelfde lichaam moeten wonen. Mijn verhaal daarover is vrij simpel: ik heb geprobeerd vrienden met hem te worden. Mensen willen altijd dat je ertegen vecht, maar ik denk dat als ik hem het niet te moeilijk maak, hij mij ook zoveel mogelijk met rust zal laten.
De behandeling met de hormonen, daar kan ik veel meer over vertellen. Met die medicijnen valt namelijk moeilijk te onderhandelen.
"Wat is er door die medicijnen veranderd?" werd me door de medewerker van een maandblad gevraagd.
Ik wilde van wal steken met een lange lijst grotere en ook subtielere veranderingen in mijn lichaam, maar de interviewer had waarschijnlijk niet veel tijd. Hij dwong me zo snel mogelijk terzake te komen.
"Hoe gaat het nu bijvoorbeeld met uw seksleven?" Ja, als je over seks praat kun je beter u tegen elkaar zeggen, dan wordt het niet al te intiem.
Ik heb er natuurlijk zelf om gevraagd door te schrijven over wat er tot mijn verbazing met mijn geilheid gebeurde toen me de mannelijke hormonen werden afgenomen. Het is jammer, maar al geruime tijd moet ik de interviewers teleurstellen. Vier jaar geleden toen ik twee medicijnen die mijn mannelijkheid sloopten gebruikte was ik gedoemd mijn broek bij de liefde aan te houden. Het moest allemaal zuiver platonisch gebeuren. Nadat ik echter met die medicijnen stopte werd alles weer anders. Zelfs sinds ik weer met een van die middelen moest beginnen blijft de erotiek een belangrijke bron van vreugde in mijn leven. Soms bekruipt me het gevoel dat ik zo'n journalist niet teleur mag stellen en dat ik hem het cliché dat hij graag bevestigd wil zien niet af mag nemen. Mijn gevoel dat de waarheid in een interview toch enigszins gerespecteerd moet worden is echter sterker.
"Het gaat weer prima," zeg ik, maar in zijn ogen zie ik dat hij denkt "dat zal wel!".
Is het niet ook interessant om in zo'n interview op te schrijven dat ik zo'n last heb van de harde jonge meisjesschijven in mijn borsten? Dat mijn tepels bij het hardlopen pijn doen omdat ze aanraking niet meer verdragen, zelfs niet van mijn T-shirt. Dat zijn toch ook veranderingen. Maar nee, de teloorgang van mijn libido. Daar wil de interviewer het over hebben.
De interviewer is ongeduldig en gaat over op een andere vraag voordat ik heb kunnen vertellen wat me het meeste aan de veranderingen door de medicijnen fascineert. Dat is niet iets dat de kwaliteit van mijn bestaan bedreigt, maar meerdere malen per dag word ik er sterk mee geconfronteerd. Het is ronduit opdringerig. Mijn reukorgaan is namelijk in staat dingen te ruiken die me voorheen ontgingen. Als ik in het bos ren, kan ik bij lopers die me naderen al op vijftig meter afstand zeggen of ze aftershave op hebben of dat ze een sigaret gerookt hebben.
Het vreemdste is dat ik mezelf ook beter ruik en dat is minder aangenaam. Niet dat ik me niet uiterst zorgvuldig was of dat mijn eigen geur me tegenstaat. Het is meer dat het om een geur gaat die ik niet van mezelf kende. Zo heeft mijn transpiratie een licht bittere geur en ik ruik zeker niet naar viooltjes zoals mijn kleindochter. Zou zij ook ruiken wat ik ruik? Gelukkig loopt ze niet bij me weg als ik haar aanhaal en als we na bij haar op bezoek te zijn geweest vertrekken, zegt ze "Nee. Oma niette auto, opa niette auto". Voor haar ben ik dus nog OK, hoe ik ook ruik. Marion heeft ook nog nooit tegen me gezegd dat er een vreemd odeur rond me hangt. Ik ben klaarblijkelijk de enige die de geur heeft opgemerkt.
Behalve van mijn zweet, komt die lucht ook van mijn ontlasting en van mijn urine. Het is zoals bij het eten van petehbonen, die Indonesische lekkernij, die op een of andere manier een stof in je lichaam afgeven die je de volgende dag overal tegenkomt waar je jezelf ook ontmoet. Maar deze nieuwe geur is er elke dag en vraagt op de vreemdste momenten om mijn aandacht.
Is het de geur van de medicijnen? Of is het wat Oscar de kat ook kan ruiken waardoor hij weet wie zal gaan sterven? Kan het de geur zijn van de processen van de menselijke cellen die of het nu tot de dood leidt of tot creatie, altijd maar door gaan zich te delen, te delen, te delen. Ik zag in een documentaire op televisie Nobelprijswinnares Rita Levi Montalcini daar vol vuur over spreken. Het wonder van het leven eigenlijk hetzelfde als het mysterie van de dood, en ik meen de deling te kunnen ruiken.
Of moet ik de geur beschouwen als het luchtje van het gezwel dat met mij m'n lichaam bewoont. Is het zoals ooit in ons eerste huis, toen ik als ik knoflook bij het koken ging gebruiken eerst op de muur van de keuken moest bonzen zodat onze Hollandse buren de ramen konden openen en hun afzuigkap op de hoogst stand aan
zetten? Want zij hielden niet van wat ze de stank van knoflook noemden. Hoort die vreemde geur bij de dingen waar je aan moet wennen en die je moet tolereren om van elkaar geen last te hebben? Leef ik tegenwoordig dus als het ware in een multicultureel lichaam?



Terug