Week 36 -2007
Mijn zus is een enthousiaste vrouw, die na haar middelbare school ook een verstandige beroepskeuze maakte. Ze ging het onderwijs in, leerde netjes knippen en plakken aan kleuters, optellen en aftrekken aan de kinderen op de basisschool en Nederlandse taal aan buitenlanders die moesten inburgeren. Alle liedjes kent ze uit haar hoofd en ze zingt ze mee met de leerlingen, soms zonder geluid te maken - alleen met haar ogen en lippen - om ze aan te moedigen. Bovendien toont haar gezicht meestal de bereidwilligheid om te luisteren. Vragende ogen en een uitnodigende glimlach. Empathie heet dat. Therapeuten oefenen er jaren lang op om die gave te ontwikkelen. Als ik wel eens een lezing moet geven, zoek ik dergelijke personen in mijn publiek, mensen met gezichten als spiegels. Ik heb twee of drie hoofden nodig waarvan ik nieuwsgierigheid, een glimlach of ontroering af kan lezen zodat ik me daardoor kan laten inspireren en leiden. Een aantal jaren geleden had mijn zus zich plotseling opgegeven voor een cursus 'smakelijk verhalen vertellen'. Het verbaasde me erg, want dat kon ze door haar geaardheid al lang.
Vanuit de auto belt mijn zus op om te informeren of ze even op bezoek kan komen omdat ze in de buurt is. Bij een kopje thee vertelt mijn zus op smakelijke wijze wat haar recentelijk allemaal overkomen is. Zelfs de eenvoudigste gebeurtenissen laat ze met een hoog 'wat me nu toch overkomen is' gehalte bijzonder lijken. Hoe ze tijdens haar fietstocht rond de plassen door een bootje naar de andere kant van het water is overgezet en over een plaatsje ergens in Italië waar je zo bijzonder goed kunt eten. Een goed verteld verhaal laat een blij gevoel achter zonder dat de inhoud er eigenlijk toe doet. Ook vertelt ze vol vuur over een vriendin die ze kent van de tennisbaan, die borstkanker bleek te hebben waarvoor ze behandeld werd en bij wier man tot overmaat van ramp onlangs longkanker werd vastgesteld. Zeven weken wachten voordat duidelijk werd of hij wel een operabele kankersoort had en tot er plaats was op de operatiekamer. De spanning stijgt terwijl ze het vertelt, want de martelende wachttijd weet ze erg invoelbaar te maken. Hoe is het afgelopen? Kon er nog iets gedaan worden? Waren ze nog op tijd?
Eindelijk wordt de man geopereerd, maar zijn beproevingen zijn nog lang niet ten einde. Het gezwel blijkt vast te zitten aan het hartzakje en moet er helemaal los van worden gemaakt. De ingreep duurt veel langer dan verwacht werd. Na de operatie blijkt het hartzakje te lekken, iets wat normaal nooit gebeurt. Daarom moet de ribbenkast weer helemaal opengemaakt worden zodat het zakje gesloten kan worden. Vervolgens nog een infectie met een zeldzaam virus. Geheel verzwakt ligt de man nu in een ziekenhuisbed te wachten tot hij aan de chemo kan.
Uit onderzoek blijkt dat wie zulke vreselijke ervaringen heeft ze helderder onthoudt dan de leuke dingen in het leven. Onze hersenen blijken daar nu eenmaal op ingesteld. Vervelende dingen onthouden we beter en met meer details dan aangename gebeurtenissen. Wat negatief is brengt meer activiteit in het herinneringscentrum in onze hersenen op gang. Met name zorgen ze voor verhevigde zenuwwerking in het deel waar de emoties verwerkt worden. Het lijkt wonderlijk, want in de evolutie ontwikkelen we juist langzaam maar zeker naar iets beters. Wat de meeste overleefkans heeft redt het. De zieke en depressieve mensen plegen zelfmoord. De vrolijkerds hebben een grotere kans te overleven. Mechanismen die ons hinderen Mendelen vanzelf weg, zodat het effectiefste type uiteindelijk overblijft. Mensen die leuke dingen beter onthouden en vervelende zaken weten te verdringen zouden volgens de evolutietheorie dus veel beter tegen het dagelijks leven zijn opgewassen en uiteindelijk als mensensoort overblijven. Geen depressies, geen angstaanvallen, geen post traumatic stress disorder. Heerlijk.
Maar nee, we zitten zo in elkaar dat we de ellende gemakkelijker en kleurrijker in ons hoofd bewaren. Wetenschappers vinden dat nu juist logisch. De mens wordt effectiever in het overleven als hij de signalen die hem bedreigen goed onthoudt. Wie de loop van een pistool gezien heeft zorgt er wel voor om daar uit de buurt te blijven. De kleur van gevaar, de geur van de dood, de mens moet leren het uit de weg te gaan.
De vrouw en haar man, beide zesenvijftig jaar oud, hebben blijkbaar het signaal herkend en zijn onmiddellijk gestopt met roken. De rest van hun leven zullen de wachttijden, de onzekerheid, de chemokuur en de schrik die een lekkend hartzakje oplevert helderder in hun herinnering gebrand staan dan de verjaardagen van hun kinderen. Ze zullen nog precies weten wie er in de spreekkamer van de arts waren tijdens de gesprekken, maar er geen flauw idee van hebben wie er op allemaal op hun vijfentwintigjarig huwelijksfeest gekomen zijn.
"Ik herkende die vrouw nog maar nauwelijks," zegt mijn zus. "Ze was in een paar weken tijd tien jaar ouder geworden. Onder de spanning zit ze. En die man natuurlijk ook. Hij kan van de uitputting niet meer praten; zo moe is hij. De dokter vroeg aan haar of haar man bij stress erg transpireert. Ze wist het niet. En bij angst? En toen zag ze haar man knikken, want tot iets anders is hij niet meer in staat."
"Jeetje, wat een verhaal," zeg ik.



Terug