| Week 41 -2007 Een bak met siliconen borsten, prikkeldraad rond het meest aaibare van de vrouw, tepels die uit vreemde ruimtes komen. Er is veel roze te zien in de schilderijen en objecten. Marion's zus heeft het jaar waarin ze behandeld werd goed gebruikt. De vele kunstenaars die ze kent heeft ze uitgenodigd voor een symposium over borstkanker en tussen twee chemokuren door heeft ze met hen gewerkt aan dit project. Nu hangen en staan alle producten ergens in een mooie lichte ruimte in Delft, waar Italiaanse wijn gedronken wordt vanwege de feestelijke opening. Toyin staat bij een schilderij dat Marion voor deze gelegenheid gemaakt heeft en vraagt me of ik ook vind dat hoe drukker je bent des te sneller het leven gaat. Ik ken hem omdat we een jaar of vijftien geleden in het zelfde hotel in Manilla zaten, hij op de zeventiende en ik op de negentiende verdieping. 's Morgens vroeg begon het gebouw te bewegen. Het leek wel een meter heen en weer te zwaaien en het was maar goed dat ik me al geschoren had. Ik had wel eens eerder aardschokken gevoeld, maar realiseerde me dat dit een serieuze aardbeving moest zijn. Omdat in de Filippijnen nog al eens natuurrampen plaats vinden hangen er overal waarschuwingen, die ik slechts oppervlakkig gelezen had, er van uit gaande dat het wel heel sterk zou zijn als juist als ik er was een aardbeving plaats zou vinden. Vooral de lift niet gebruiken als je wilt vluchten en dan naar buiten gaan, en als dat niet meer mogelijk is onder je tafel kruipen. Het leek me allebei even zinloos als mijn tijd gekomen was. Ik ben snel, maar negentien verdiepingen…. En wat kon ik onder die tafel doen als het gebouw in elkaar zakte? Daarom ging ik gewoon door met het schrijven van het stuk dat ik die dag moest presenteren en pas toen ik het nodig vond ging ik naar beneden naar de ontbijtzaal, waar ik Toyin ontmoette. Hij was in paniek geraakt en had alle trappen afgerend. We raakten aan de praat en ik mocht hem onmiddellijk, zeker nadat ik afbeeldingen van zijn schilderijen had gezien. "Ja natuurlijk," zeg ik. "Als je het druk hebt kom je altijd tijd te kort, maar dat hoeft niet te betekenen dat je leven sneller verloopt." Tijd is subjectief en kan alleen gezien worden in verhouding tot de totale tijd die je tot je beschikking hebt. Daarom duurden de grote vakanties toen ik tien, elf jaar oud was een eeuwigheid, terwijl ik tegenwoordig nog maar net gewend ben aan het idee dat de dagen langer worden als ik al weer de bladeren in mijn tuin moet vegen. Hoe meer zomers je hebt meegemaakt des te korter duren ze. Maar Toyin is niet geïnteresseerd in mijn filosofische beschouwingen. "Nee," zegt hij. "Als je druk bent duurt het leven korter." Hij heeft gelijk. In je eigen bestaan is alles absoluut en niets kan relatief zijn. Uitgesloten. Je hebt immers maar één leven. "Nou ja," geef ik toe. "Ik kan me voorstellen dat iemand die niet druk is en niet van zijn werk houdt vindt dat het allemaal veel te traag gaat. Die zou het liefst de tijd bekorten, zorgen dat het wat sneller gaat. Desnoods door van de negentiende verdieping van een flat te springen." Toyin is een concrete man, die beschouwingen over hoe het verglijden van tijd voelt niet zo interessant vindt als ik. "Nee, als je druk bent gaat de tijd sneller," zegt hij nog eens stellig. "Maar dat zou betekenen," antwoord ik, "dat als je het jammer vind omdat je leven zo snel voorbij gaat en je geen tijd hebt om alles te doen wat je zo leuk vindt, je dan moet zorgen minder druk te zijn. Dan heb je meer tijd waarin je echter minder leuke dingen doet." Het lijkt of Toyin alle manieren die ik aanvoer om zijn ervaringen met druk zijn en tijd in context te plaatsen onzin vindt. De paradox die ik hem voorleg verandert niets aan de manier waarop hij lijdt aan het tekort aan tijd en de reden die hij daarvoor gevonden heeft. Voor mensen met kanker is er bovendien nog een andere paradox verbonden aan het verloop van de tijd. De mededeling dat je kanker hebt is immers zoiets als de bel voor de laatste ronde. De rondjes ervoor hebben we zo snel mogelijk afgelegd en zijn voorbij gegaan voor we er goed en wel erg in hebben. Maar ik loop zo lekker. Mijn benen voelen nog goed, ik ben niet moe en ik kan wel eeuwig doorgaan. Ik wil dat de wedstrijdleiding de regels verandert. Daarom begin ik te onderhandelen. Met elke ronde die ik erbij krijg voel ik me sterker. Natuurlijk willen we dat de jaren van chemo's, bestralingen, operaties, ziekenhuisbezoeken, infusen, bijverschijnselen van pillen snel voorbij zijn zodat we weer vrijuit kunnen rennen. De triomf die ik voel over elke ronde die ik erbij heb gekregen wordt echter overschaduwd door het besef dat ik ook weer een jaar dichter bij de finishlijn ben gekomen. Of je nu hard of langzaam loopt, en of je nu vijfentwintig, vijftig of tachtig rondjes rent, je kunt nooit winnen. Tijd bestaat niet, alleen het leven. Terug |