Week 43 -2007
Mijn nieuwe boek is uit. Geen idee hoeveel boeken ik al heb geschreven en welke het meest voor me betekent. Als eem goede moeder zeg ik dat ze me allemaal even lief zijn. Toen in 1977 de bundeling van mijn Volkskrantcolumns verscheen ging ik speciaal naar de Atheneum Boekhandel om het in grote stapels te zien liggen. Het was mijn eersteling.
Er zijn veel verhalen over schrijvers en hun eerste boek. Dagelijks tellen hoeveel er nog op de tafel bij de boekwinkels liggen. Daarna koortsachtig de uitgever bellen of het niet tijd wordt voor een tweede druk. Bestellen bij boekhandels die ze niet in voorraad hebben en ze dan nooit afhalen. De boeken een opvallender plek in de winkel geven zodat de klanten het meesterwerk sneller zullen grijpen. Voor mij was kijken naar de stapel al meer dan genoeg. In mei kwam het uit. Veertigduizend exemplaren. Al snel werd een tweede druk gemaakt van twintigduizend en voor de zon dat jaar haar stralen weer opborg waren er al honderdduizend Medicijnstrips bij allerlei mensen die ik helemaal niet kende terechtgekomen.
Een nieuw boek betekent veel interviews. Dik worden. Daar gaat mijn nieuwe boek over en dus praten we gezellig over eten, bewegen, het perfecte lichaam en hoe je van de kilo's af moet komen. Van de week heb ik zelfs voor een cameraploeg gekookt. Telkens moet ik ook de vraag beantwoorden waarom ik in hemelsnaam nu juist een dik afvalboek heb geschreven. De man die elke dag rent en gezond eet, waarom wil die afvallen? Het is heel eenvoudig. Om vet kwijt te raken. De testosteron die mijn prostaatkanker opjaagt verbergt zich in het vetweefsel en het leek me verstandig om zo veel mogelijk schuilplaatsen voor het hormoon te vernietigen. Ik begon me te oriënteren op hoe je dat precies doet. Zo begon mijn zwerftocht door diëtenland en wat ik aantrof wilde ik met iedereen delen. Dat is schrijvers nu eenmaal eigen.
Als de interviewer toch één maal bij me is dan pakken ze meteen die kanker er maar bij. Ik ben al lang niet meer alleen Ivan Wolffers, maar Ivan Wolffers met kanker. Ik schrijf dus ook niet gewoon maar een dik afvalboek, maar een dik afvalboek met kanker. Alles wat ikzelf op papier gezet heb en wat er over me in interviews verschenen is komt dan aan de orde. Ik moet examen doen over mijn eigen leven. Journalisten zijn strenger dan god. Ze willen alles weten. Ik moet me verantwoorden voor de paradoxen en tegenspraken. Soms mag ik kiezen: ben ik nu eigenlijk diep binnen in me bang voor de dood, of ben ik een meesterverdringer en hou ik me blind voor mijn noodlot? Andere mogelijkheden kan ik niet aankruisen. Nuances zijn niet gewenst, want dat leest niet lekker in zo'n tijdschrift.
De interviews vallen samen met de gebruikelijke zorgen die een schrijver heeft bij het verschijnen van een boek. Wie echt goed zijn werk heeft gedaan beseft dat er nog veel meer research gedaan had moeten worden, weet dat het werk nooit af is en niet volmaakt kan zijn - hoe graag we het ook willen - want steeds weten we meer, en onzekerheid over misschien gemaakte vergissingen dringt zich in onbewaakte momenten op. Vlak voor ik in slaap val, ben ik plotseling bang dat iedereen zal gaan denken dat ik in werkelijkheid niets weet. Het liefst zou ik onmiddellijk het boek terug willen halen uit de boekhandels.
Toch zijn de meeste interviews ook prettig. Ik ontmoet leuke mensen en het is altijd prettig als je over jezelf mag vertellen. Een therapeut kost meer. Ik krijg de gelegenheid om door de confrontatie allerlei ontdekkingen te doen. Zo constateerde Yvonne Kroonenberg tijdens een interview nadat ik verteld had over onze gezinssituatie: "dus je werd een beetje verwaarloosd". Wat had ik in hemelsnaam gezegd dat ze dat kon denken? Ik deed alles om haar op andere gedachten te brengen. OK, mijn moeder had toen ik bijna vier jaar was een tweeling gekregen en had het plotseling erg druk. 'Het zijn een stel handebindertjes,' zei ze vaak. 'Ivan ging altijd zijn eigen gang.' Ineens was ik uit mijn kinderparadijs van exclusieve moederaandacht verstoten. Twee dikke, kale baby's die nog niets konden eisten de aandacht op. Ze zaten op elke gezinsfoto ineens vooraan op de schoot van mijn vader en moeder. Zelfs de Amersfoortsche Courant kwam het vastleggen. 'Tweeling geboren in Soesterkwartier' stond erbij. Juist in die tijd moest ik naar de kleuterschool, waar mijn moeder me de eerste keer naar toe bracht. Daarna ging ik altijd alleen, want dat kon ik. In die tijd was er trouwens bijna geen verkeer en enge mannen bestonden nog niet. Als mijn moeder druk was gaf mijn vader me gewoon wat meer aandacht. OK, hij was ook erg druk, maar we waren toch zeker de beste vrienden van de wereld. Hij was de beste handelsreiziger van het hele land, logeerde vaak in andere hoeken van het land en keerde op vrijdagavond trionfantelijk terug naar huis. Zoveel toilettasjes en kaartjes met haarspeldjes had hij weer voor zijn gezin verkocht. Verwaarlozing? Hoe kwam ze daar nu bij? Ik heb er alleen maar voordeel van gehad dat ik niet zo in de gaten werd gehouden. Daardoor heb ik mezelf kunnen ontwikkelen.
Dit weekend zal ik mijn moeder een exemplaar van mijn nieuwe boek brengen. Ze leest graag. Misschien schrijf ik er wel in dat ik blij ben dat ik een beetje verwaarloosd ben omdat ik anders vast geen schrijver geworden was. Iemand die ook graag gezien wil worden en daarom in stilte zonder dat iemand het merkt mooie tekeningen en verhalen maakt om daarmee zijn ouders die zo druk zijn te verrassen.
"O, wat knap," zal mijn moeder uitroepen. "Heb jij dat geschreven Ivan?"



Terug