Week 47 -2007
Hij belde op over heel iets anders, maar op het einde van het gesprek begon hij er plotseling toch over. Niemand mocht het weten. Alleen zijn vrouw wist het, zijn broer en twee vrienden. Twee jaar geleden was het vastgesteld en nu was het volgens de uroloog tijd om in te grijpen. Het risico werd te groot. Een operatie zou de kans op uitzaaiing terug kunnen brengen. Hij was licht verontwaardigd, want dankzij een alternatieve behandeling waren zijn klachten verminderd, en toch was die vervelende PSA weer gestegen. De uroloog was niet eens geïnteresseerd in zijn verhaal geweest. Die had alleen oog voor de hoogte van de bloeduitslagen en de percentages van de risico's.
Ineens begreep ik waarom zijn vrouw gedurende de afgelopen twee verjaardagen waar ik ze ontmoet had over ayurvedische geneeswijzen begonnen was. Nu pas snapte ik dat ze haar belangrijkste vragen niet aan me had kunnen stellen omdat ze beloofd had te zwijgen.
Hij is nog jong. Als ik van oudere mannen hoor dat ze het hebben, denk ik altijd "Ja ho eens; jammer, maar we moeten wel ergens dood aan gaan". Bij mannen die net zo oud zijn als ik of jonger is het zo vervelend omdat we nog maar net een beetje aan het leven gewend zijn.
Later schreef hij me een mail waarin hij zich min of meer verontschuldigde dat hij me met zijn mededeling overrompeld had. Ik kon moeilijk terugschrijven dat het prettig is te horen dat ik niet de enige ben die met zo'n stom gezwel in zijn prostaat rondloopt. Wij mensen willen ons wel onderscheiden, maar op sommige terreinen is het onaangenaam een uitzondering te zijn. Ik schreef terug over hoop en waarheid. Iets beters kon ik niet bedenken. Sommige mensen bieden ons hoop. Daar luisteren we graag naar. Anderen hebben de opdracht om ons de waarheid te vertellen en die drukken ze uit in cijfers omdat ze geen woorden kennen die kunnen helpen om duidelijk te maken hoe het precies met ons gesteld is. Daar worden ze nu eenmaal voor betaald en we verwachten ook helemaal niets anders van ze.
Eigenlijk had ik ook willen schrijven dat je kanker nooit in je eentje hebt, maar ik wist niet of ik dan een grens zou overschrijden. Het gaat mij niet aan dat ze afgesproken hebben het aan niemand te vertellen. Hij kan daar echter een uitzondering op maken als dat tijdens een telefoongesprek in hem opkomt en hij dat wil, want het is zijn tumor. Maar zij? Mijn eerste reactie toen de uroloog het me vertelde was ook om te zwijgen en te doen of er niets aan de hand was, zodat andere mensen me zouden blijven behandelen als voorheen. Marion was het daar niet mee eens omdat zij er ook over wilde kunnen praten.
Van de week zag ik een artikel in het tijdschrift Cancer, een soort Libelle voor kankerspecialisten. Misschien moet ik dat aan hem sturen. Het betreft een onderzoek naar begeleiding van mannen met prostaatkanker. Tweehonderdvijfendertig mannen bij wie het net was vastgesteld en hun partners werden verdeeld in twee groepen. De ene groep kregen drie keer in een periode van vier maanden bezoek van een gesprekstherapeut die 90 minuten met het gezin sprak. De andere groep kreeg geen hulp. Na de behandeling bleek er een groot verschil te zijn in kwaliteit van leven. De onderlinge communicatie was beter, er was minder onzekerheid, minder hopeloosheid en ook waren er minder stressverschijnselen. Het is jammer dat je zoiets in Nederland niet automatisch kunt kiezen. Wij zitten eigenlijk altijd in die tweede groep. Tegelijkertijd moet ik niet zeuren, want in het eerste jaar heb ik elk voorstel van Marion om eens met een therapeut te praten afgewezen. Ik ben toch zeker geen patiënt. Ik heb alleen maar kanker.
De reden dat ik het artikel aan hem en zijn vrouw zou willen sturen betreft een andere conclusie uit het onderzoek. Het waren vooral de vrouwen van die mannen met kanker die baat hadden gehad bij het programma. Want zij hebben die prostaatkanker in het enige orgaan waar ze het kunnen hebben: de prostaat van hun partner. Maar ze hebben niets te vertellen over hoe het behandeld moet worden.



Terug