| Week 50 -2007 Elke ochtend maak ik een kopje espresso en druk drie pilletjes uit de medicijnverpakking op het aanrecht. Om variatie in mijn bestaan te brengen volg ik telkens een ander patroon op de doordrukstrip. Drie in de lengte of ik werk juist in de breedte. Een zigzagpatroon of volkomen willekeurig. Dan schenk ik een glas water vol en doe de pilletjes in mijn mond. Wat een wonder dat je met je tong precies voelt hoeveel het er zijn. Uiteindelijk slik ik ze door en denk bij mezelf "wat een geweldige dag heb ik weer voor me". Het leven zit vol cadeaus. Mijn kleindochter Helena trekt gretig het papier van de presentjes. Het maakt haar niet uit wat erin zit. De belofte die het kleurrijke inpakpapier verschaft verleidt om met haar kleine vingertjes aan het plakband trekken, dat niet meegeeft. Als ze het papier eraf heeft kijkt ze of ze iemand anders kan helpen met uitpakken. Ze lacht als haar naam geroepen wordt. "Cadeautje Helena," zegt ze en doet met haar peutertaal of ze een gedicht voorleest. Tot ze er genoeg van heeft en afsluit met "Al klaar." Feline heeft een gedicht voor me geschreven: "Ivan hoort bij mij " En mijn achtjarige recensente zegt over mijn boeken "De woorden die Ivan heeft bedacht, zijn heel zacht". Mijn schoonvader zit in zijn stoel, de wandelstok voor zich als een wapen tegen de toekomst. Zijn ogen volgen de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen en hij glimlacht. Elke dag is een geschenk, ook voor mijn moeder met haar zevenentachtig jaar. Nooit medicijnen geslikt maar nu vlak na haar griepprik erg verkouden geworden en ineens bang dat de griepprik niet meer zal helpen als het grote virus haar zal roepen. Na afloop dozen vol verscheurd sinterklaaspapier. De gedichten worden opgevouwen en mee naar huis genomen, en zullen iets meer tijd krijgen voor ze in de papierbak eindigen. De tafel staat vol met schalen te zoete en te vette koek, overgebleven van de verjaarsviering van de goedheiligman. Mijn schoonvader zit klaar om naar huis teruggebracht te worden. Hij zou gehuild hebben toen hij vorige week van het vliegveld terug naar huis reed. "Ik had daar willen blijven," had hij gezegd. Zo vrolijk als hij vijf weken geleden was toen hij vertrok, zo weemoedig is hij nu. "Eet je wel genoeg?" wordt hem gevraagd. "Slaap je wel genoeg?" De hevige pijn in de botten waarin de uitzaaiingen zich verbergen is terug. Zijn ogen zijn tegenwoordig waterig. Hij is in het tussenrijk, het limbo, waar alleen dichters en dromers worden toegelaten. Waar herinneringen zich vervlechten met het licht dat door de luxaflex naar binnen valt. Zijn aandacht is naar binnen gekeerd, naar de straten waar hij ooit speelde, maar die al lang verdwenen zijn. Hij denkt aan zijn moeder en aan de tweelingbroer die vlak na de geboorte overleed. Vaak gaan zijn gedachten daar naar toe. Slechts een paar weken oud was hij toen de broer verdween, maar het is of hij hem zijn leven lang heeft gemist. Het leek of de stad Jakarta zich verzette toen hij terug wilde keren. Een banjir maakte het onmogelijk het vliegveld te bereiken en zeven uur lang zat hij ergens vast in een file. Macet, heet dat in het Indonesisch en dan klinkt het een stuk aangenamer. Het vliegtuig was al vertrokken en vervolgens bleek dat dagen lang alle vluchten vol waren. Een beetje kunstenaar zou dat als een teken hebben geļnterpreteerd. De godin van de zee, Nya Loro Kidul, die zo van groen houdt en mannen in zwembroeken van die kleur die zich in zee wagen naar haar rijk onder de waterspiegel trekt, moet opgestegen zijn zich samengebald hebben in een regenwolk en de straten onder water hebben gezet. Verdrinken? Nee, dat zou het niet zijn. Het is eerder vergelijkbaar met thuiskomen. Maar hij is niet gebleven waar zijn herinneringen geboren werden. Tussen speculaaskruimels, een halflege wijnfles en op het Perzisch tapijt gemorste poedersuiker die een groep premature oliebollen had vergezeld blijven Marion en ik achter. Ik druk haar tegen me aan, wil voelen dat ik er nog ben. Met elke dag die ik krijg en elke keer dat ik de drie pilletjes op mijn tong leg kom ik dichter bij waar ik niet wil zijn. Terug |