Week 51 -2007
Het is vroeg als ze belt. Nog donker buiten. Het motregent. Ze huilt en zegt dat ze het niet meer aan kan. In mijn trainingspak stap ik in de auto en rijd naar mijn schoonouders toe. Aan hardlopen was ik nog niet toegenomen. De lampen branden in het kleine kamertje waar teveel spullen staan. Overal portretten van de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. In lijstjes op de platenspeler die nooit meer gebruikt wordt, op de televisie die programma's brengt waar ze niet echt meer naar kijken, maar die aanstaat om bij de buitenwereld te zijn betrokken. Animal planet, eurosport, als het maar beweegt. De bank is uit hun huis verdwenen toen het bed van de thuiszorg kwam, maar sinds hij met de traplift naar de slaapkamer kan is het op zijn beurt weer vervangen door grote verstelbare fauteuils. Een wit plastic tafeltje staat tussen hen in. Daar zet ze normaal gesproken zijn ontbijtpap en zijn medicijnen op, maar die heeft hij vandaag geweigerd. Hij kijkt naar buiten, zijn gezicht strak. Zij kijkt wanhopig naar mij, blij dat er eindelijk een getuige is die objectief kan oordelen.
"Hij zegt 'waarom sta je zo vroeg op, je hebt zeker een afspraakje met een zeker iemand'", vertelt ze en de tranen springen opnieuw in haar ogen. "En als ik boodschappen ga doen en terug kom, vraagt hij 'wie heb je bij de winkel ontmoet?'"
Mijn schoonmoeder is de braafste vrouw van de wereld. Erotiek komt niet in haar woordenboek voor. Het liefst draagt ze batik broeken met een hoge elastieken taille en daarover heen supersize T-shirts met afbeeldingen van de kinderen. Soms vraag je je af hoe ze er in hemelsnaam in geslaagd is nog vier kinderen te krijgen.
"Wie ben je dan bang dat ze bij de winkel ontmoet?" vraag ik hem. "Waar ben je bang voor?"
Voor hij over mijn vraag na kan denken antwoordt hij: "Ik ben niet bang. Helemaal niet."
Om beurten zeggen ze wat hen hoog zit, klachten uit twee verschillende werelden.
"Hij zegt dat ik de laatste tijd veranderd ben," zegt ze.
"Ben je zelf niet veranderd?" vraag ik.
"Ik ben nog altijd de zelfde als zevenenvijftig jaar geleden toen ik met haar trouwde," antwoordt hij.
Zijn achterdocht is al een tijdje gaande en mijn schoonmoeder durft niet meer lang weg te gaan, maar het wordt steeds erger. Boodschappen doen vermijdt ze zo veel mogelijk en ze haalt alleen als het hoogstnoodzakelijk is brood of zijn havermoutpap.
"En toen we in Indonesië waren ben ik met de dames van de ambassade naar de plantentuin in Bogor geweest," vertelt ze. "Toen ik terugkwam beweerde hij dat ik daar een oud vriendje had opgezocht."
Het klinkt als een verantwoording voor haar gedrag en het maakt haar verdacht door de ongevraagde details. Hij kijkt boos de andere kant uit.
"Je moet jezelf niet zo verdedigen," adviseer ik haar. "Maak maar een grap. Zeg maar, ja bij de supermarkt staan mijn vriendjes. Ze staan in de rij voor een vrouw van bijna tachtig."
Het zal alleen maar erger worden. De dementie zorgt ervoor dat hij de controle over de werkelijkheid verliest en door zijn afhankelijkheid van haar zal zijn wantrouwen groter worden.
Ik weet dat het zinloos is, maar toch leg ik het hem uit. Dat hij twee jaar geleden nog overal naartoe fietste en veel mensen sprak, dat hij al een jaar niet meer bridget, dat hij vanwege zijn prostaatkanker medicijnen krijgt die ook niet echt helpen zijn aandacht bij het heden te houden, dat de verschillende delen van zijn hersenen daardoor niet meer goed samenwerken, en dat hij daardoor wel eens vreemde gedachten krijgt.
"Nou ja," reageert hij. "Als ik misschien iets geks heb gedacht zal het wel aan mij liggen. Maar ik mag toch nog wel een eigen mening hebben?"
Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat ze blij is dat hij een klein beetje toegeeft. Het is intussen helemaal licht buiten.
"Hij wil dat ik 's morgens niet het bed uit ga en bij hem blijf liggen," zegt ze. "Maar ik ben vroeg wakker en hij blijft tot half elf liggen."
"Normaal eet je samen het ontbijt," moppert hij nog een beetje.
"Eet dan 's morgens vroeg een klein beetje en eet dan als hij opstaat lekker mee," suggereer ik. "maak er wat van. Hoe vaak kunnen jullie nog samen ontbijten?"
In haar ogen lees ik wanhoop. Komt dat door het idee dat er nog maar een beperkt aantal ontbijten is? Of ziet ze op tegen nog meer taken, terwijl ze met haar gehandicapte arm de zorg voor twee mensen toch al nauwelijks aankan? Ziet ze wat ik zie? Dat hij bang is om alleen te zijn, bang is in zijn eentje dood te moeten gaan.
Nu wil hij zijn havermoutpap wel. Met smaak eet hij het op.
"Lekker hè," zeg ik. Hij gromt.
"Weet je waardoor het zo goed smaakt?" vraag ik. Hij kijkt me aan.
"Dat komt omdat het met liefde is bereid."
Hij lacht. Ik weet dat ik weer naar huis kan.



Terug