| Week 05 -2008 Dat zal me niet nog een keer overkomen dacht ik. Zo'n arts die me vraagt waarom ik niet eerder bij hem ben gekomen. Dus toen ik een jeukende plek op de achterzijde van mijn bovenbeen opmerkte, pakte ik de scheerspiegel en hield die in een dusdanige hoek dat ik ongehinderd een blik kon werpen op het betreffende gebied, net onder de bilplooi. Ik had daar nog nooit eerder iets gezien, maar ook nog nooit met een scheerspiegel op deze manier de andere kant van mijn lichaam bestudeerd. Donderbruin, en een rode rand. De spiegel vergroot iets en daarom liet ik Marion ook oordelen. "Ik heb het nooit eerder gezien. Dat ziet er niet goed uit," zei ze, maar ze heeft geen opleiding gevolgd op het gebied van de geneeskunde in het algemeen of van kwaadaardige huidziekten in het bijzonder. Binnen achttien uur zat ik bij de dermatoloog. "Mijn assistente zal je onderzoeken," zei hij. "Ze is in opleiding." Helemaal uitkleden moest ik me. Mijn onderbroek mocht ik aanhouden, maar die schoof ze naar believen omhoog, naar beneden of opzij. Alles moest bekeken worden. Geen bruin plekje, geen verhevenheid op mijn huid ontsnapte aan haar aandacht. Zelfs mijn voetzolen werden bestudeerd. De enige plaats waar mijn intimiteit beschermd bleef is het perineum, het gebied onder de balzak. Toen haar ogen mijn borststreek langsgingen, zei ik verontschuldigend: "Gynaecomastie door de Casodex". Het blijft hinderlijk, die nodeloze borstvorming door mijn medicijnen. Ze begreep het wel, want ze had wel eens van het medicijn gehoord. "U heeft wel een erg droge huid," merkte ze op. Er klonk iets bestraffend in haar stem. Ik mis nu eenmaal de hormonen die alles lekker vet en vochtig, soepel en jong houden. In versneld tempo maken de medicijnen een oude man van me. Mijn gezicht smeer ik wel eens in met iets uit een tubetje. Specially for men staat er op. Daar ben ik gevoelig voor. Met een smeersel voor vrouwen zou ik niet graag mijn gelaat vet houden, en ik kan toch niet elke ochtend mijn hele lichaam op poetsen met wonderolie. "Ook door die medicijnen," legde ik uit. "En ik sport veel, dus sta ook veel onder de douche." "Zo kort mogelijk hoor," adviseerde ze. "En geen zeep gebruiken." Als ik haar raad opvolg zal ik langzaam maar zeker vervuilen. Er is niets zo erg als een vervuilde oude man. Twee plekjes vond ze verdacht, maar ze oordeelde toch dat het niet ernstig was. "Een vier", legde ze de professor uit die later terug kwam en zelf ook even keek. Ik wist niet of ik beter een zes had kunnen krijgen. "Het kan geen kwaad," legde hij me uit. "Ik zou je zo weg durven sturen, maar voor de zekerheid nemen we toch een biopsie." De assistente legde wat spuitjes klaar en een appelboortje. Even later had ze twee gaatjes in mijn lijf geponst en zaten stukjes Ivan in reageerbuisjes. "Is het OK als u me de uitslag doorbelt?" informeerde ik. "Nou, dat doen we liever niet," legde ze uit. "Stel dat er iets ernstigs aan de hand is, dan bespreken we dat liever onder vier ogen." "Dan zeg je als je belt dat ik toch beter naar het ziekenhuis kan komen," suggereerde ik. "Dan begrijp ik het wel." Daar ging ze tot mijn verbazing mee akkoord en dat gaf me een bijzonder prettig gevoel. Als leek weet je niet wat een vier waard is, maar als zij de gok neemt het via de telefoon af te handelen dat zegt me dat genoeg. Ik begon te wachten op het telefoontje. Is het beter als het lang duurt, of juist goed als ze snel bellen? Gisteren ging de telefoon en op een of andere manier voelde ik dat het de assistente was. Het was een uur of tien in de ochtend en er waren inmiddels voldoende dagen voorbij gegaan om de biopten vier of vijf maal grondig te onderzoeken. "Met mevrouw Goncalvez," zei een dame. "Kan ik met de directeur of het hoofd van de financiële afdeling spreken?" Een ongevraagd telefoontje van een of andere marketeer. "Nee, dat kan niet," en ik legde snel neer, want stel je voor dat de assistente zou bellen. Onmiddellijk ging de telefoon opnieuw. "Waarom doet u zo onbeschoft tegen me?" vroeg mevrouw Goncalvez. "Omdat ik geen zin heb door u te worden lastig gevallen met uw verkooppraatjes." "Kan u dan door de telefoon heenkijken? Wie zegt dat ik iets wil verkopen?" "Wat u ook wilt, ik heb geen zin in dit gesprek," zei ik en weer verbrak ik de verbinding. Opnieuw ging binnen enkele seconden de telefoon. "Zou u niet eens beleefd luisteren naar wat ik u wil vertellen?" zei mevrouw Goncalvez op dreigende toon. Ik begreep dat ik maar beter even de tijd voor haar kon nemen omdat anders een telefoontje uit het ziekenhuis er nooit doorheen zou komen. "Ik bel namens de cliniclowns," legde mevrouw Goncalvez uit. "We zoeken sponsors." "Mevrouw Goncalvez," riep ik. "Ik doe niet aan cliniclowns. Ze maken kinderen bang en met hun flauwe grappen dienen ze zich ongevraagd op aan anderen. Ik wil dat u me vandaag niet meer belt." Ze stoorde me geen vierde keer. Ook de assistente belde niet. Sindsdien denk ik veel na over gewenste en ongewenste telefoongesprekken. Terug |