| Week 06 -2008 "Je bent een beetje een prostaatprostituee," zei ze en het woord was zo vernuftig gevonden dat ik bijna over het hoofd zag dat er een negatief waardeoordeel in school. Hoe liberaal we ook zijn, de mededeling dat je je lijf, je ziel, jezelf verkoopt, is moeilijk als een compliment te beschouwen. Natuurlijk leveren schrijvers zichzelf altijd uit aan hun lezers en verkopen hun intiemste overpeinzingen, hun meest emotionele jeugdherinnering, hun dagelijkse ontroering aan de kopers van boeken, kranten, tijdschriften. Voor weinig geld nota bene, want een goede hoer verdient in een week meer dan een auteur in een jaar tijd aan zijn boeken overhoudt. Het is nu eenmaal zo: De eigen tranen en vreugde, je frustraties en gelukkigste momenten, de momenten dat je bedrogen werd of iets vol verbazing eindelijk begreep, het pad dat je aflegt onderweg naar de dood is het kapitaal voor schrijvers. Sinds ik hoorde dat ik kanker heb, ben ik anders gaan kijken, heb ik opnieuw afgewogen wat ik belangrijk vind, en daardoor is mijn focus bij het schrijven ook verschoven. In wat ik in mijn weekboek schrijf gebruik ik de kanker als bron van inspiratie en de prostaat, dat onbekende orgaan, is de peeskamer geworden waarin mijn verhalen zich afspelen. Ik zit daar achter het raam en probeer passanten mijn schrijfsels binnen te lokken. Dan tik ik op de ruit en fluister: "Kom heel even binnen voor tien minuten plezier met kanker." Soms vraag ik me af hoe lang ik daarmee door kan gaan. Zoals mijn leven tot nu toe verlopen is, weet ik niet beter of elke dag na het rennen ga ik aan mijn bureau zitten, pak mijn dagboek en begin met mijn vulpen met zwarte inkt te schrijven. Het is zo vanzelfsprekend als ademhalen en het inktspoor dat ik inmiddels gemaakt heb is zo lang dat het verscheidene keren de aarde kan omspannen. Als ik klaar ben met mijn dagboek loop ik naar mijn computer en vul de rest van de dag met het formuleren van zinnen op een toetsenbord. Ik weet niet beter dan dat ik dat zal doen tot ik dood ga. Toch kan er wel opeens een dag komen dat mijn hersenen niet automatisch de woorden produceren die bij mijn ervaringen passen. Dat wat in mijn leven gebeurt niet het raderwerk in beweging brengt dat tot de meest accurate formulering leidt. Dat het in een zwarte pasteuze massa terechtkomt waar de woorden in vast blijven plakken en er niet als een vlucht ganzen in zinnen uit opvliegen. Op die dag die ooit gaat komen schrijf ik niets en de dag daarop evenmin. Na een week ga ik zelfs opzien tegen het schrijven. Aanvankelijk denk ik nog regelmatig aan de vreugde die ik voordien beleefde als ik met woorden mocht spelen, maar dat verdring ik om geen schuldgevoel te hebben omdat ik de passie die mijn leven lang bepaalde wie ik was negeer. Na een paar maanden ben ik vergeten dat ik altijd schreef. Slechts af en toe herinner ik me het met een steek in mijn hart. Maar ook dat verdwijnt en op een dag weet ik niet meer waarom ik altijd zo nodig moest. Hetzelfde gebeurt met het hardlopen. Zo gaat het ook met het lezen van romans. Het gebeurt vervolgens met het lezen van tijdschriften. Ook de kranten worden niet meer doorgenomen. Met wandelen stop ik. Uiteindelijk zit ik thuis in een stoel, heb de televisie aan op animal channel. Af en toe kijk ik naar de dieren die daar vliegen of kruipen. Vooral slangen zijn mooi. De mensen die van me houden zeggen dat ik meer moet lopen, meer moet doen, want mijn voeten worden zo blauw. Maar ik wacht op wat gaat komen. Zo stel ik me voor dat mijn schoonvader in zijn stoel is terecht gekomen. Hij wacht op de verpleegkundige die hem 's morgens komt wassen. Hij wacht op tafeltje dekje. Het tijdsbesef is verdwenen. Zijn jeugd is dichterbij dan de toekomst en wachten is daarom zelfs zonder betekenis geworden. Ja, hij is in feite met wachten opgehouden. We nemen hem mee naar een verjaardag. We brengen hem zijn eten, een stukje feestgebak. We schuiven zijn stoel tot aan de rand van de dansvloer. We willen hem zo graag bij het leven, bij ons leven, betrekken. Hij laat zich overhalen om even te dansen. Hij is verbaasd over zichzelf. Mijn schoonmoeder krijgt tranen in haar ogen. Zie je wel, hij wil nog. Er is nog toekomst. De volgende dag heeft hij spierpijn. Als ik hem zie weet ik dat ik elke dag moet schrijven, elke dag moet rennen, elke dag moet lezen, elke dag verliefd zijn, elke dag me moet prostitueren. Prostaatprostituee is een eretitel. Terug |