Week 07 -2008
Gedurende een paar seconden dacht ik dat alles voorbij was. Het kwam niet door het telefoontje van de dermatoloog, want die zei dat er niets aan de hand was met de stukjes moedervlek die ze onderzocht hadden. Nee, het had niets met mij te maken. Iedereen die een hechte relatie met een ander mens heeft, in ruzie en passie, weet echter dat je altijd stiekem hoopt eerder dood of dement te zijn dan de ander. Alleen kun je niet meer verder. Dat heb je afgeleerd. In je eentje door moeten betekent dat je gouden leven toch echt, voor je het wilt al op een autokerkhof eindigt en dat je er nog getuige van moet zijn ook. Kanker is niet geweldig, maar het voordeel is dat ik er vrij zeker van ben dat ik eerder dan Marion heen zal gaan.
In mijn achteruitkijkspiegel zag ik in het donker de auto van Marion bij het oprijden van de snelweg ronddraaien, maar ik begreep het niet. Een automobiel hoort zo niet te bewegen. Snel reed ik de vluchtstrook op en stopte. Opnieuw keek ik in mijn spiegel. Haar auto stond nu stil. Heen en weer geslingerd tussen 'dat was Marion's auto helemaal niet' en 'van wie dan wel en waar is Marion dan?' rende ik paniekerig naar de plaats waar haar BMW tegen de vangrail tot rust was gekomen. Godzijdank, daar stond ze, naast de auto.
"Bel de politie," zei ze en gaf haar mobieltje aan me.
De man wilde precies weten bij welk hectometerpaaltje we stonden.
"Bij de oprit van de A1 richting Amersfoort bij Hilversum," zei ik.
Hij werd ongeduldig. "Ik moet wel precies het nummer op het paaltje weten."
Daarom liep ik vlug naar een klein, groen bordje dat ik zo'n honderd meter verderop meende te zien. Terwijl ik vervolgens weer terug rende zag ik ineens een grote auto met volle vaart op Marion's auto botsen. Ik was te ver weg om de knal te horen en ook kon ik niet ontwaren of Marion weer in de auto was gestapt. Nog een halve minuut gingen de vreselijkste gedachten door me heen. Er drongen zich beelden aan me op van haar prachtige benen die bebloed beklemd zaten tussen de brokstukken van twee BMW mastodonten. Ze bleek echter uit bezorgdheid over andere automobilisten onhandig met een gevarendriehoek in haar handen iets verder langs de weg te staan.
Wildvreemde mannen stapten uit hun auto om te helpen. Er waren ook ineens een vrouw en een man in lichtgevende jacks die naar langskomend verkeer zwaaiden en roodwitte pilons plaatsten om te zorgen dat er niet nog meer vervoermiddelen op deze autobegraafplaats aan hun einde kwamen. Twee kraanwagens verschenen en uiteindelijk ook een politieagent die alles opschreef. Binnen veertig minuten was er niets meer te zien van het ongeluk. Mensen reden haastig langs op weg naar huis of naar een ander café.
"Niet aan mijn ouders vertellen," zei Marion. "Ook al is er niets gebeurd, dan maken ze zich toch zorgen."
Mijn schoonvader wordt bovendien geplaagd door een virus dat zich thuis bij hem voelt. Hij is echter niet meer zo snel ter been en arriveert af en toe te laat bij het toilet om de diarreeaanvallen die veel te vaak komen nog netjes te deponeren waar het hoort. Als we op bezoek komen zit hij echter net weer fris gewassen in een schone pyjama in zijn stoel. Mijn schoonmoeder wijst op de vlekken op de vloerbedekking in de gang die ze ondanks haar pogingen niet heeft weg kunnen poetsen. Gelukkig valt het bruin niet zo erg op tegen de groende ondergrond. Je moet het weten om het te zien, maar als je het weet dan zie je het ook steeds.
"Telkens was hij net niet op tijd," zegt ze. "Dan moet ik alles schoon maken."
"Hebben jullie nog iets bijzonders meegemaakt?" vraagt Marion.
"Nou," zegt mijn schoonvader. "Gisteren ga ik naar beneden en ik kijk in de logeerkamer en daar zie ik een onbekende kerel liggen. Ik wist niet dat hij er was. Zeker iemand van haar."
"Daar begint hij weer," zegt mijn schoonmoeder wanhopig. "Gaat hij me weer beschuldigen van gekke dingen."
Soms is het alsof hij haar kwalijk neemt dat zij nog wel de deur uit kan, naar gymnastiek voor vijftigplussers gaat, bij de supermarkt een praatje kan maken en hem een uur in de steek laat.
"Wat moet je daar met al die jonge mannen?" vraagt hij. Ze durft inmiddels de deur bijna niet meer uit en vraagt iemand die net op bezoek komt een halfje bruin te kopen.
Ik ben nieuwsgierig naar hoe oud de minnaar van mijn achtenzeventigjarige schoonmoeder dan ongeveer zou moeten zijn.
"Achttien denk ik," zegt hij. "Misschien is het een neef van haar."
"Waarom heb je niet gevraagd wat hij kwam doen?" wil ik weten. "Want jij bent de enige die hem kan zien. Ma niet. Marion niet. Ik niet. Hij heeft misschien wel een speciale boodschap voor jou. Dan moet je wel luisteren, want hij heeft misschien iets belangrijks te vertellen."
Hij kijkt me een tijdje peinzend aan.
Marion draaide vergeefs aan haar stuur, maar de auto luisterde niet meer. Alsof god in Madurodam was en een autootje op de speelgoedsnelweg andersom neerzette. Misschien was er iets dat haar duidelijk wilde maken dat ze helemaal niet zelf aan het stuur zit, dat het allemaal maar zo voorbij kan zijn, en dat onze rommel opgeruimd is voor we er erg in hebben, we verdwijnen en het helemaal niet gebeurd lijkt te zijn. Of misschien was het juist een bericht voor mij, dat Marion ook het recht heeft om eerder heen te gaan en mij alleen te laten, nog voor ik veilig dement ben of bezweken aan de kankercellen.



Terug