| Week 09 -2008 "U heeft er zo goed over geschreven," zei de eerste vrouw die me ooit zo maar belde met een vraag over haar medicijnen. "En ik wil eigenlijk af van de valium, maar weet niet wat ik moet beginnen." Het gebeurde om tien uur op zaterdagavond en Marion vond me belachelijk omdat ik ook nog beleefd antwoord gaf. Elke ochtend stond er een stukje van me in de Volkskrant en hoewel het echt niet "Dokter Ief weet raad" heette, meenden heel veel mensen dat ze met hun vragen en zorgen bij mij moesten zijn. Aanvankelijk deed ik mijn best het nog eens goed uit te leggen. De postbode bracht dagelijks meer brieven met verzoeken om informatie. Die waren meestal afkomstig van dames die geďnteresseerd waren in hun gezondheid en geluk gedurende hun resterende jaren en meer wilden weten. Na een paar jaar had ik dozen vol ongevraagde correspondentie staan. Braaf had ik altijd enkele zinnen teruggeschreven. Van mannen heb ik uiterst zelden een vraag om advies gekregen. Toen ik uiteindelijk van een mevrouw een brief ontving - waarbij de letters van uitgeknipte en opgepakte penissen waren gemaakt - had ik het wel gezien. De huisregel werd: telefoontjes koel afwimpelen en brieven niet beantwoorden. Jammer voor alle mensen die wel een serieus verzoek aan me hadden. In die tijd was ik nog een jonge schrijvende arts en in een samenleving die obsessief bezig is met gezondheid word je dan vanzelf de geheime achteringang tot de medische kennis van mensen die geďmponeerd zijn door alles wat de wetenschap te bieden lijkt te hebben. Nog altijd ontvang ik brieven met verzoeken iets uit te leggen. De postzegel voor mijn antwoord is meestal bijgevoegd. Maar het is veel minder dan vroeger en telefoontjes van wanhopige pillensliksters zijn er niet meer bij. Toen vorige week een dame met vriendelijke stem belde met de vraag of ik een boek voor haar wilde schrijven was ik vanzelfsprekend op mijn hoede. Een heel boek schrijven om iemand voor te lichten over de gezondheid, dat is me nog al iets. Mijn wantrouwen verdween echter na uitwisseling van enkele zinnen en toen ik doorkreeg dat het een serieus aanbod van een uitgever was. In navolging van een vergelijkbaar boek over borstkanker wilde men een boek over prostaatkanker maken dat patiënten in staat moet stellen beter met hun arts te communiceren. Als vrouwen zo'n boek hebben, dan willen mannen er natuurlijk ook een. De uitgeefster benadrukte dat mannen er bovendien 'zo moeilijk over praten'. Mijn profiel kwam aardig overeen met de gewenste auteur. Het mocht namelijk niet door een vrouw worden geschreven. Verder moest het iemand zijn met voldoende schrijfervaring en enige medische kennis. Bovendien heb ik het zelf. Kan het mooier? "Ik denk niet dat je iemand anders met dat profiel in Nederland kunt vinden," zei ik en de dame beaamde dat volmondig. "Maar ik heb het zo druk," voegde ik eraan toe. "Het lukt me niet." Ze deed haar uiterste best me over te halen en uiteindelijk zei ik haar me dat handboek borstkanker te sturen zodat ik een idee kon krijgen van wat de bedoeling was. Ik zou er over nadenken. Het was de eerste stap naar een beleefde weigering. Marion vond echter dat ik het boek moest schrijven. Ze zag het als een soort morele verplichting. Over wat zo'n ménage a trois met je relatie doet, over je instortende zelfvertrouwen als je lichaam je in de steek laat, en over de misverstanden rond seksualiteit en potentie. Juist die dingen zijn belangrijk voor de kwaliteit van leven. De dame was verheugd dat ik het wilde doen, maar zei dat nu ook de SCP ermee akkoord moest gaan. SCP? Wat is dat in hemelsnaam? Een ballotagecommissie? Een paar dagen later mailde de vriendelijke dame me dat de SCP mij niet als auteur wilde omdat de bestuursleden bang waren dat het boek dan een 'bepaalde signatuur' zou krijgen. Men wenste er zelfs niet met de uitgeefster over te discussiëren. Op google heb ik gezocht wat SCP betekent. Het blijkt de Stichting Contactgroep Prostaatkanker te zijn. Ik ben ook gaan kijken naar de achtergrond van de bestuursleden. Dat bleek veel moeilijker. Volgens mij heeft een van hen op de Bonifatius MULO gezeten, want ik kom zijn naam bij een reünie van die school tegen. De ander heeft een prachtige boerderij. Een derde zou molenaar kunnen zijn, want er is iemand met zijn naam die het diploma 'malen' heeft ontvangen. En de vierde is of een Fries kinderboekenschrijver of overleden in 1958, en als het geen van beide is dan heeft hij op google geen sporen nagelaten. Wat zou ik voor eigen signatuur hebben dat ik zulke mensen bang maak? Ik ben professioneel en weet heus wel het verschil tussen wat ik in dit weekboek schrijf en wat er in een sobere tekst over bestralingen, operaties en medicijnen thuis hoort. Of dramatiseer ik die prostaatkanker niet genoeg? Het is toch alleen maar een gezwel en niet eens één van de ergste. Je zult er een in je pancreas of in je hersenen hebben. Dan kun je geen enkel boek meer schrijven. In het eerste geval heb je onvoldoende tijd en in het laatste geval kun je niet meer vertrouwen op het instrument dat je daarvoor zo hard nodig hebt. Al eerder was me opgevallen dat mannen van de prostaatkankerclub het maar niets vinden dat ik over seksualiteit en potentie bij prostaatkanker schrijf. In een interview met een van hen las ik dat hij er helemaal geen last mee heeft. Stoerlap. Ik heb als reactie op mijn boeken over het gezwel in de prostaat veel meer brieven van de vrouwen van patiënten gehad dan van de mannen zelf. Die vrouwen zijn blij dat ik er over schrijf. Plotseling herinner ik me nu ook dat het juist deze mannen waren die me gevraagd hebben ambassadeur van hun blue ribbon organisatie te worden. Oké, ik was vijfde of zesde keus. Prins Claus was al overleden, Hans Kraay wilde niet, Gerard Joling had geen tijd. Ze konden dus niemand anders krijgen en ik was ondertussen toch al min of meer mister prostaatkanker geworden. Hoe vaak heb ik voor dat blauwe lintje interviews moeten geven? Mijn lieve vrouw is inmiddels ook nog gevraagd ambassadeur te worden voor de Nederlandse Vereniging van Urologen, zodat zij eveneens een duit in het zakje kan doen om Nederlandse mannen te waarschuwen voor wat hen allemaal te wachten staat. Als men je nodig heeft om je bekendheid enigszins te kunnen exploiteren weten mensen je te vinden. Dan mag je zeggen wat ze zelf niet durven. Ik geloof dat ik geen ambassadeur meer wil zijn voor een dergelijke club. Laat ze het zelf allemaal maar uit gaan leggen en over de dingen die ze niet over hun lippen krijgen geven ze gewoon een boekje zonder signatuur mee. Terug |