Week 16 -2008
Elke week kom ik in een van mijn medische vakbladen wel een artikel tegen over prostaatkanker. Het is onhandig. Vaak zou ik ze willen negeren. Het is net zo vervelend als een kapotte lamp in een schuurtje waar je weinig komt. Als je er niet naar kijkt hoef je er niets aan te doen. Waarom zou ik steeds alles over die kanker moeten lezen? Dat ben ik toch niet verplicht. Maar tegelijkertijd is het kinderachtig het over te slaan. Daarom lees ik. Over de gemiste kansen en wat me nog te wachten staat.
Vorige week stond er een groot verhaal over de kwaliteit van leven bij verschillende behandelingen van prostaatkanker in een Amerikaans medisch tijdschrift. Het gaat bij de bijwerkingen altijd over de grote drie P's: poepen, pissen en potentie. Die gaan eraan. Bij de een wat meer en vroeger dan de ander, en in verschillende combinaties. Wat meer problemen met het ophouden van de ontlasting en wat minder met de erectie of andersom. Daarnaast blijkt ook het geleidelijke verval van het lichaam voor veel mannen een belasting te zijn. Je wordt in leven gehouden en dat is meegenomen. Omgaan met die plasproblemen, met de ontlastinghinder, en te leren leven als de lust je vergaat, is mogelijk. Dat je echter steeds zwakker wordt en je leven versneld ziet verglijden, dat wordt vaak over het hoofd gezien. Die rottige hormoononderdrukkers doen hun werk ook wel verbazend goed. Alles onderdrukken ze. Omdat mannen met prostaatkanker meestal wat ouder zijn is het moeilijk te bepalen of het nu door het ouder worden komt of door de medicijnen. Ik lees het artikel en probeer in te schatten waar ik op de schaal van ellende verkeer en hoe lang het gaat duren voor ik helemaal bij het onleefbare einde van de grafieken ben terechtgekomen.
Als ik mijn schoonvader bezoek vraag ik me vaak af of wat ik bij hem zie eveneens een voorbode voor me is. Maandag was ik bij mijn schoonouders. Marion had het me gevraagd. Omdat ze aan het werk was, kon ze zelf niet gaan. Dat vertelde ik maar niet aan mijn schoonouders en deed het voorkomen of het spontaan bezoekje was. Het is immers nodeloos onterend als ik zou vertellen dat Marion me stuurt om te helpen bij een echtelijke twist. Alsof het kinderen zijn die in de blokkenhoek ruzie hebben gekregen die moet worden bijgelegd.
Alleen mijn schoonmoeder spreekt, want ze is opgewonden. Haar leven is zwaar geworden omdat ze met haar gehandicapte lichaam haar man verzorgt en nu ook nog last van trombose heeft. Mijn schoonvader en ik zwijgen. Hij omdat hij geen zin heeft in het gesprek en ik omdat ik niet weet wat ik moet zeggen. Aanvankelijk gaat het over allerhande klein maatschappelijk onrecht, maar de tranen blinken in haar ogen en al snel kan ze niet langer verhullen wat haar hoog zit.
"Ik vraag zo vaak of hij niet naar de wc moet," zegt ze. "Laat hij eerder naar de wc gaan. Nu is hij steeds te laat en kan ik het schoon maken. Hij moet niet zo lang wachten."
"Waarom neem je niet meer hulp," opper ik.
"Nee," zegt ze beslist. "Dat doe ik zelf. Dat laat ik een ander niet doen."
"Maar dan laat je die hulp toch afwassen, de was opvouwen, dingen die je anders ook nog doet," probeer ik.
Het helpt niet.
"En dan kijkt hij niet wat er gebeurd is en gaat hij met zijn vieze pyjamabroek in mijn stoel zitten," zegt ze. "Hij kan toch onmiddellijk naar de keuken lopen zodat ik hem daar kan wassen."
Ik begrijp haar wanhoop. Mijn schoonvader kijkt met uitdrukkingsloos gelaat voor zich uit, alsof hij heel ergens anders is.
"Ma," zeg ik. "Ik vind het vervelend om te vertellen, maar als ik 's morgens hard loop moet ik twee tot drie keer razendsnel de bosjes in. Het komt op en binnen een halve minuut moet ik reageren. Ik kan soms niet eens een veilige plek vinden en het kan me eigenlijk ook al bijna niet meer schelen. Vaak maak ik mezelf vies, zit de rotzooi aan de achterkant van mijn trainingsbroek. Maar het interesseert me niet wat mensen zien en of ze het door hebben. Dat hoort nu eenmaal bij die behandeling."
Ze is nog niet overtuigd.
""Maar als hij een plas doet," begint ze weer. "Dan gaat hij zitten, maar dan kan hij toch richten! Hij doet niets met dat ding en dan gaat die plas recht uit, tussen de bril en de pot door op de grond."
Daarbij maakt ze met haar hand een driftige beweging die de straal verbeeldt.
"Ja, jullie hebben een vloer van steen in de wc," voegt ze eraan toe. "Dat is zo schoon."
"Dan leggen we toch linoleum bij jullie," stel ik voor. Ik heb gemakkelijk praten, want ik ben reuzeonhandig en die door mij voorgestelde taak komt vast bij iemand anders terecht.
"Dat hebben we al," zegt ze. "Maar hij kan toch ook aan mij denken."
Nog één keer leg ik uit over hoe de medicijnen het lichaam verzwakken, hoe zwaar de tocht van zijn stoel naar de wc voor hem geworden is en dat hij waarschijnlijk helemaal niet nadenkt over het naar beneden houden van zijn plasgereedschap. Maar het is niet meer nodig. Nadat ze haar laatste opmerking gemaakt heeft is het eruit. Ze heeft het aan iemand kunnen vertellen en ik zie haar ontspannen.
"Ja," zegt ze met zachtere stem. "Als ik 's nachts in bed wel eens lig te piekeren vraag ik me af wat er nog werkt in mijn lichaam. Die verlamde arm, die borstkanker, dat trombosebeen."
"Ma, wees blij dat je mond nog goed werkt," zeg ik.
Ze lacht. Hij ook.
Is dat wat me te wachten staat? De klachten steeds erger zodat je niet eens op tijd meer de wc haalt? De puf niet meer hebt om te richten? Maar erger nog: om te merken dat degene die je wil verzorgen en niets liever wil dan dat je eeuwig leeft, het niet meer aankan en geen ander heeft dan jij om nog boos op te worden.



Terug