| Week 17 -2008 Onlangs viel me tijdens het lezen van een boek op dat er een Nederlandse uroloog is die wat ik over de lust schreef heeft gelezen. Ik kwam erachter omdat ik in 'Geheime delen' door Mels van Driel tot drie keer toe mijn werk geciteerd zag. Het verraste me omdat ik eraan gewend geraakt was dat Nederlandse urologen niet veel lezen. Ik was er al meerdere tegengekomen die niet wisten dat ik iets geschreven had dat met hun vakgebied te maken heeft en dat heel misschien ook voor hen interessant zou kunnen zijn. Ze hebben waarschijnlijk weinig tijd voor frivoliteiten zoals het lezen van boeken. Met uitzondering misschien van 'Komt een vrouw bij de dokter' door Kluun als ze op vakantie zijn, omdat ze van hun echtgenote gehoord hebben dat het zo'n goed boek is. In België is het anders. Deze week ontving ik een email van het bedrijf dat de kleine pilletjes maakt die ik elke ochtend slik. De erg complimenteuze dame van de PR afdeling liet weten honderd exemplaren van 'Heimwee naar de Lust' gekocht te hebben om aan de Belgische urologen te geven. Kort had ze in haar email voor mij nog even samengevat welke ellende me allemaal te wachten staat als alles wat in de bijsluiter vermeld staat ook werkelijk gaat gebeuren. `Ik heb eindelijk je boek gelezen,` zegt mijn uroloog als ik bij hem kom voor de uitslag van mijn bloedtest. Zo begrijp ik dat er gelukkig nog een Nederlandse uroloog de inhoud van mijn boek tot zich heeft genomen. `Erg herkenbaar,` voegt hij eraan toe. Niet dat hijzelf prostaatkanker heeft, maar enkele van de situaties die ik beschrijf moeten hem vertrouwd voorkomen. Ik ben overigens altijd zorgvuldig met namen noemen. Schrijvend over mezelf kan ik echter niet verhullen dat er soms anderen in mijn verhalen een rol spelen. Het is onmogelijk ze buiten beeld te houden. Ik leef tenslotte niet in het luchtledige. Het is vervelend als de mensen over wie ik vertel vinden dat wat ik schijf hen onrecht doet. Bovendien heb ik niet van bovenaf de opdracht gekregen om onbarmhartig de realiteit te schetsen, zonder met anderen rekening te houden. De waarheid is een compromis, maar ik hou natuurlijk wel het recht het mijne van dat compromis te denken. Als iemand echter laat weten ongelukkig te zijn met mijn vertelling, dan kan hij op een gewillig oor rekenen en vaak leidt het tot een bescheiden verandering in een tekst. `Vond je het vervelend` informeer ik bij mijn uroloog. Dat blijkt niet het geval, hoewel toch één andere patiënt hem op basis van mijn boek herkend heeft. Het is gelukkig bij één gebleven. Verder spreken we die ochtend over de cijfers. Daar gaat het toch om als ik bij hem in de spreekkamer ben. `Hoeveel?` vraag ik. Hij kijkt in de computer. Deze staat zo opgesteld dat de bezoeker altijd mee kan kijken. Daar is na de bestraling van mijn arme prostaat een lange vlakke lijn te zien. Anderhalf jaar geleden een piek als een erectie, die onderdrukt werd met hormoonaanmaak dempende middelen. `Zes komma vijf,` antwoordt hij. Ik ken de stand op de meter uit mijn hoofd. Vorige keer vijf komma acht en de keer daarvoor vijf komma zeven. Het scheelt maar nul komma zeven. Als je na gaat denken over percentages dan is het echter een verschil van acht procent. En je kunt ook zeggen dat het vier komma vijf keer zo snel is toegenomen als de vorige keer. Ik ken nu eenmaal alle trucjes van de farmaceutische industrie om resultaten uit onderzoeken een beetje anders te presenteren en op te blazen. "Het is rustig," zegt mijn uroloog. "Steady state." Hoe ik echter ook naar de getallen kijk - absolute cijfers, percentage of relatieve toenames -, het komt steeds dichter bij. Nog niet zo snel, maar dat kan zo veranderen. Het is als met onweersbuien. Vroeger waren die uniek en ze hadden nog iets dreigends. Eerst werd de wereld helemaal stil, geen zuchtje wind meer en de vogels stopten van schrik met zingen. De lucht leek om te snijden, zo dik was ze geworden. Vervolgens veranderde de lucht en kleurde zwart, zoals je het nog nooit gezien had. Plotseling was er dan een flits aan de hemel en even later klonken de eerste rommelgeluiden in de verte. `Je kunt horen hoe ver het nog is,` zei mijn vader. `Het geluid gaat langzamer dan het licht.` Rustig telde hij na de volgende bliksemschicht `Eén, twee, drie, vier vijf, zes, zeven, acht.` `Acht kilometer van hier,` zei hij. De volgende keer telde ik. `Niet zo snel,` zei hij, maar ik kon het niet zo kalm als hij, omdat ik een beetje ongerust was. Wat als de bliksem in zou slaan? Mijn vader lachte. Het leek of hij nooit bang was. Bij elke verlichte hemel telden we en merkten dat de donder steeds dichterbij kwam. Door zijn glimlach verdween mijn angst. Vijf komma zeven, vijf komma acht, zes komma vijf. Het onweer komt steeds dichterbij. Ik probeer niet zo gehaast te tellen, niet bang te zijn. Jammer dat mijn vader niet meer leeft om me gerust te stellen. Terug |