Week 21 -2008
"U schrijft toch over het leven en hoe dat moet," zei de dame naast wie ik tijdens het verjaardagspartijtje was gaan zitten.
Ik vroeg haar of ze dat ironisch bedoelde, maar ze schudde haar hoofd. Ze was zwanger en dat overtuigde me. Ik was blij dat ze mijn werk niet had samengevat als schrijven over kanker en hoe dat gaat.
Overigens heb ik geen flauw idee hoe het leven moet. Gelukkig ben ik workaholic en wordt mijn bestaan bepaald door afspraken en deadlines. Daardoor hoef ik nooit zelf na te denken over mijn dagindeling en over wat ik met mijn leven wil. In een onbekende omgeving, zoals verjaardagspartijtjes, voel ik me echter enigszins verloren. Dan mis ik de mogelijkheid om me achter geordende woorden te verbergen, me terug te trekken in een wereld die ik zelf heb gemaakt. Die niet wordt bepaald door toevalligheden en de grilligheid van het lot.
Mijn schoonvader zat naast me, zijn handen rustend op de wandelstok tussen de knieën. Drie dagen eerder had hij zijn eigen verjaardag gevierd. Zevenentachtig jaar was hij geworden. Hij heeft de koninklijke uitstraling van een man met een geschiedenis.
Pas geleidelijk is hij zijn verhaal gaan vertellen. Het was verbonden met te veel pijn en om ermee te kunnen leven had hij aanvankelijk het meeste verdrongen. Ik vind het een voorrecht getuige te zijn geweest hoe zijn autobiografie ontstond uit kleine dappere stappen om over de nachtmerries uit zijn verleden te vertellen. Het kwam vooral door Marion, die altijd nieuwsgierig is en doorvroeg. Als een bijtgrage hond zet ze haar tanden in het leven van anderen en wil de details weten om alles te begrijpen. Daarna spint zij er weer verhalen van. Zo was 'De stem van mijn vader' ontstaan over hoe hij in 1943 op het schip de Junio Maru door de Japanners naar Birma vervoerd werd om daar te werken aan de spoorlijn. Hij zou het land nooit zien, want het gevangenentransport werd door een Engelse torpedo getroffen. Het betekende de grootste scheepsramp ooit. Als hij merkt dat mensen oprecht nieuwsgierig zijn vertelt hij daar over. Dat kan hij sinds hij het allemaal aan Marion had verteld.
We spraken over Indonesië. Het is zo ver per vliegtuig en je zit zo krap. Per boot?
"Hij houdt niet van schepen," zei mijn schoonmoeder.
"Waarom niet?" vroeg de man.
Mijn schoonvader zweeg, alsof het gesprek niet over hem ging.
"Hij heeft daar het nodige tijdens de tweede wereldoorlog mee meegemaakt," legde ik uit.
"De slag in de Javazee?" suggereerde de man.
Mijn schoonvader reageerde nog steeds niet.
"Nee," zei ik. "Het schip waarop hij vervoerd werd zonk en hij kon niet zwemmen."
De man vroeg door. Het is zijn werk. Hij doet dat ook op de televisie.
"Hoe heette die boot?"
Mijn schoonvader keek me hulpeloos aan.
"Junio Maru," zei ik.
Hij is één van de weinige overlevenden van de scheepramp. Daarom heeft hij het monument ervoor mogen onthullen en elk jaar gaat hij naar de herdenking. Na afloop komen er dan kleinkinderen van mannen die het niet hebben kunnen of willen navertellen op hem af die vragen over hoe het was. Het verbaasde me dat de naam van dat schip op een gegeven moment uit zijn geheugen had kunnen verdwijnen. Het had zijn leven bepaald en hem gemaakt tot wie hij was.
"Hoe heeft hij het dan overleefd?" vroeg de man.
"Ik stond met zes man op de boot en ik hoorde een stem. Die zei spring maar. Je wordt gered," zei mijn schoonvader.
Om de structuur in zijn levensverhaal te bewaren legde ik uit dat hij de hele nacht met elf anderen aan een stuk wrakhout had gehangen.
"Wat is er met die mannen die naast u stonden gebeurd?" vroeg de man.
"Ook allemaal gered," zei mijn schoonvader.
"Ja, maar Trompet dan," zei ik, want ik miste de details in zijn verhaal. "Die kreeg toch een bijl in zijn hoofd. Van een Japanner."
"Ja Trompet," verzuchtte hij en zweeg vervolgens.
"En toen zijn ze tegen de ochtend opgevist door een Japanse torpedojager," voegde ik toe.
"Het heeft uren geduurd," zei mijn schoonvader. "Sommige mensen zeggen wel acht uur."
Mijn schoonvader over de Australiër, die rond zwom en telde hoeveel mannen zich aan het stuk hout drijvende hielden. Hij wilde niet de dertiende zijn en zwom door, maar overleefde het niet. Hij vertelde niet hoe hij kramp in zijn benen had en onmogelijk langs de touwladder omhoog kon klimmen, hoe anderen gretig om te worden gered gewoon over hem heen klauterden, hoe de Japanners hem weer in zee wilden gooien omdat hij niet geschikt leek om voor ze te werken, maar hoe hij toch gespaard werd. Geen haaien meer in zijn verhaal, geen om hun moeder roepende jongens in het donkere water, geen Indonesische romusha die het op wilde geven en in de zee wilde wegzakken. Mijn schoonvader had hem aan zijn haren opgetrokken en hem later in Jakarta opgezocht. Een reeks toevalligheden bepaalt het menselijk leven, details die beslissend zijn voor of je twintig wordt of zevenentachtig.
Mijn schoonvader werd moe. Het was al donker geworden. We liepen naar de auto. Een afstand van twintig meter. Ik had mijn arm stevig onder zijn linkeroksel en voelde zijn hart tegen mijn onderarm bonken. Razendsnel, heftig. Zijn lichaam is uitgeput, maar hij heeft het drijfhout nog vast.
We weten niets over het leven. Het is een reeks toevalligheden waarop we zo goed mogelijk reageren en op het eind zijn we ons eigen verhaal vergeten.



Terug